Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1165

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200602665/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een champignonteeltbedrijf gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 februari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602665/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een champignonteeltbedrijf gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 april 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten en van vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door S. Wakelkamp, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar als partij gehoord. Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    Verweerder stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, nu de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer (hierna: het Besluit tuinbouwbedrijven) (oud) is komen te vallen en de bij het bestreden besluit verleende vergunning om die reden van rechtswege is komen te vervallen.

2.3.    Bij besluit van 16 december 2005, dat op 5 juli 2006 in werking is getreden, is artikel 19, tweede lid, van het Besluit glastuinbouw (oud) gewijzigd.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, van het Besluit glastuinbouw, zoals dat vóór 5 juli 2006 luidde, voor zover hier van belang, blijft hetgeen gold bij krachtens het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) van toepassing voor een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van eetbare paddestoelen. Ingevolge dit artikellid, zoals dat vanaf 5 juli 2006 luidt, voor zover hier van belang, blijft hetgeen gold bij of krachtens het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) van toepassing voor een zodanige inrichting indien het telen geschiedt in opstallen.

   Ingevolge artikel 1, vierde lid, van het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) is dit besluit niet van toepassing op een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het telen van eetbare paddestoelen in opstallen, die is opgericht vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en die, inclusief een eventuele uitbreiding na deze datum, is gelegen:

a. op minder dan 25 meter afstand van een object categorie I, dan wel

b. op minder dan 10 meter afstand van een object categorie II of III.

2.4.    De inrichting behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie en is in hoofdzaak bestemd tot het telen van eetbare paddestoelen (champignons). Omdat het telen in de inrichting niet onder een permanente opstand van glas of van kunststof geschiedt, was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ingevolge artikel 19, tweede lid, van het Besluit glastuinbouw (oud) het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) niet van toepassing, zodat toen voor de inrichting een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer was vereist. Nu met de op 5 juli 2006 in werking getreden wijziging van artikel 19, tweede lid, van het Besluit glastuinbouw (oud), het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) van toepassing werd op het telen in opstallen, zoals dat in de onderhavige inrichting het geval is, is hierin vanaf die datum niet langer een beletsel gelegen voor de toepasselijkheid van laatstgenoemd Besluit.

   Vast staat dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) is opgericht. Verder bevinden zich, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, binnen een straal van 25 meter van de inrichting geen objecten categorie I als bedoeld in het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) en is de inrichting, inclusief de uitbreiding die bij het bestreden besluit is vergund, gelegen op een afstand van meer dan 10 meter van het dichtstbijgelegen object categorie II of III als bedoeld in dit besluit (de woning op het perceel Ketelsteeg 16), zodat zich niet een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van het Besluit tuinbouwbedrijven (oud).

   Geconcludeerd moet worden dat de inrichting met ingang van 5 juli 2006 onder de werkingssfeer van het Besluit tuinbouwbedrijven (oud) is komen te vallen, zodat de bij het bestreden besluit verleende vergunning op dat moment van rechtswege is komen te vervallen.

    Nu het beroep van appellanten zich richt tegen een vergunning die van rechtswege is vervallen, hebben zij in zoverre geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook anderszins is niet gebleken dat appellanten nog processueel belang hebben. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten de door hen als gevolg van het bestreden besluit beweerdelijk geleden schade geenszins aannemelijk hebben gemaakt.

2.5.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                                   w.g. Timmerman

Voorzitter                                            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

431