Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200606059/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om langs de N11 tussen Leiden en Bodegraven bewegwijzeringsborden naar het [themapark] te plaatsen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606059/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4442 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om langs de N11 tussen Leiden en Bodegraven bewegwijzeringsborden naar het [themapark] te plaatsen afgewezen.

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft de Minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek onder aanpassing van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 29 juni 2006, verzonden op 4 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 oktober 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [vennoot] van appellante, bijgestaan door mr. drs. S.A.P. van de Berg, advocaat te 's-Gravenhage, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. F.S. de Waal, P.A. van Alphen en E.J. Schothorst, allen ambtenaar van het Ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De minister heeft ten aanzien van de vermelding van dagrecreatieve objecten op bewegwijzeringsborden de Richtlijnen Bewegwijzering 1993, deel Aanduidingsbeleid (hierna: het beleid) opgesteld.

   Ingevolge paragraaf 6.4.2 van het beleid wordt, voor zover van belang, een dagrecreatief object op de bewegwijzering langs een autoweg vermeld indien het object per jaar ten minste 250.000 bezoekers heeft en de rijafstand van het object tot de weg maximaal 15 kilometer bedraagt.

   Voorts volgt uit voornoemde paragraaf dat bij een lager jaarlijks bezoekersaantal toch tot vermelding op de bewegwijzering kan worden overgegaan indien relatief veel van de bezoekende weggebruikers problemen ondervindt bij het vinden van de juiste afrit of zijweg. Met relatief veel wordt volgens de richtlijn ten minste 15% van de bezoekers na een bepaalde route bedoeld. Voor andere wegen dan autosnelwegen wordt een minimum aantal van 50 bezoekende weggebruikers per etmaal per specifiek punt aangehouden. Deze aantallen dienen te worden aangetoond op basis van een enquête door een erkend en onafhankelijk onderzoeksbureau.

   Eveneens kan bij een lager jaarlijks bezoekersaantal worden overgegaan indien dit gewenst wordt geacht uit een oogpunt van verkeersgeleiding of -veiligheid. Dit kan het geval zijn indien ter ontlasting van woon- of natuurgebieden of ter vermijding van gevaarlijke verkeersituaties een speciale routering wenselijk is of indien de situatie ter plaatse afwijkt van het verwachtingspatroon dat de weggebruiker heeft na raadpleging van een wegenkaart.

2.2.    Appellante exploiteert het [themapark] in Alphen aan de Rijn. Zij heeft bij brief van 16 juni 2004 een aanvraag gedaan om langs de N11 tussen Leiden en Bodegraven bewegwijzeringsborden naar het [themapark] te plaatsen. Ten tijde van de beslissing op bezwaar van 18 mei 2004 was het jaarlijks aantal bezoekers aan het [themapark] ongeveer 210.000. Vaststaat derhalve dat appellante ten tijde van voornoemd besluit niet voldeed aan het volgens het beleid vereiste minimum aantal bezoekers om in aanmerking te komen voor een vermelding op de bewegwijzering. Hangende bezwaar heeft appellante door IBT Marktonderzoek een onderzoek laten uitvoeren ter ondersteuning van haar standpunt dat 15% van de bezoekers van het park problemen ondervindt bij het vinden van de juiste afritten van Rijksweg N11.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport "Bereikbaarheid [themapark], bezoekersonderzoek face-to-face" van maart 2005 van IBT Marktonderzoek niet aantoont dat meer dan 15% van de bezoekers problemen heeft met het vinden van de juiste afrit. Uit voormeld rapport en de bezoekersregistratie volgt volgens appellante dat van de bezoekers, die gebruik hebben gemaakt van de autoweg N11, 39% (48,1 bezoekers) komende uit de richting Utrecht/Woerden en 33% (36,7 bezoekers) komende uit de richting Leiden de weg (helemaal) niet eenvoudig hebben kunnen vinden, zodat bij elkaar genomen aan het criterium van minimaal 50 bezoekende weggebruikers per etmaal per specifiek punt wordt voldaan.

2.3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de conclusie dat men de weg (helemaal) niet eenvoudig heeft kunnen vinden niet is aangetoond dat die bezoekers problemen hadden met het vinden van de juiste afslag van de N11 zoals de richtlijn voorschrijft, omdat hiermee slechts een uitspraak wordt gedaan over de gehele route naar het [themapark]. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de enquêtevragen niet zodanig geformuleerd hadden kunnen worden dat de enquête inzichtelijk maakte wat de oorzaak van de problemen bij het vinden van het [themapark] was: het niet kunnen vinden van de juiste afrit/zijweg of anderszins.

2.3.2.    Voorts is er geen aanleiding de Minister niet te volgen in zijn standpunt dat de zinsnede '50 bezoekende weggebruikers per etmaal per specifiek punt' in het beleidscriterium zo moeten worden begrepen dat voor het verkeer op de N11 vanuit beide richtingen afzonderlijk aan het vereiste minimumaantal bezoekende weggebruikers dat problemen heeft met het vinden van de juiste afslag moet worden voldaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat appellante afzonderlijke vermelding nastreeft op de borden voor het verkeer vanuit beide richtingen.

2.3.3.    Appellantes betoog dat de term weggebruiker in het beleid taalkundig moet worden uitgelegd als een ieder die van de weg gebruik maakt, waaronder ook de passagiers van een motorvoertuig zijn begrepen, is door de rechtbank terecht verworpen. De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat de term bezoekende weggebruiker, gelet op de strekking van het beleid en de door de Minister hierop gegeven toelichting, zich beperkt tot de bestuurders van motorvoertuigen.

Gelet op het vorenstaande kunnen de berekeningen van appellante niet dienen als deugdelijke onderbouwing van haar stelling dat meer dan 15% van de bezoekers problemen heeft bij het vinden van de juiste afrit, en dat aan het vereiste van minimaal 50 bezoekende weggebruikers per etmaal per specifiek punt is voldaan.

2.4.    Voor zover appellante betoogt dat de belangen van verkeersveiligheid en -geleiding zouden moeten leiden tot het vermelden van het [themapark] op bewegwijzeringsborden langs de N11 stelt de Afdeling vast dat appellante deze stelling, die door de Minister gemotiveerd is weerlegd, ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellante heeft immers geen enkele concrete onderbouwing daarvan gegeven.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

306-538.