Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200603485/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met parkeerkelder op het perceel, kadastraal bekend gemeente Enschede, sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603485/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/862 van de rechtbank Almelo van 3 mei 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met parkeerkelder op het perceel, kadastraal bekend gemeente Enschede, sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie].

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en alsnog vrijstelling verleend van het verbod als bedoeld in artikel 2.5.8, lid d, van de Bouwverordening van de gemeente Enschede.

Bij uitspraak van 21 september 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van 13 juni 2003 vernietigd.

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het college de bezwaren van appellanten wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college van 3 februari 2005 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 8 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Appellanten hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 7 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 21 juli 2006 heeft vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college de bezwaren van appellanten, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard.

Na afloop van het vooronderzoek zijn in verband met het besluit van 23 januari 2007 reacties ontvangen van appellanten en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2007, waar [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door mr. F.P. Dillingh, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. E.W. Roessingh, advocaat te Hengelo, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten voeren aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan bij de beslissing op bezwaar ten onrechte niet heeft getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota, zoals deze vanaf 1 juli 2004 in werking is getreden (hierna: de welstandsnota). Zij betogen dat de rechtbank aldus evenzeer heeft miskend dat de beslissing op bezwaar van 3 februari 2005 (hierna: de beslissing op bezwaar) in strijd is met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.1.1.    Ingevolge artikel VII, tweede lid, van de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet (hierna: de wijzigingswet), die op 1 januari 2003 in werking is getreden, en voor zover thans van belang, is op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet die is ingediend vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag of melding is ingediend.

2.1.2.    De aanvraag om bouwvergunning is op 1 augustus 2001 ingediend, derhalve voor 1 augustus 2003, zodat artikel VII, derde lid, van de wijzigingswet van toepassing is. Gelet hierop is op de onderhavige bouwvergunning de Woningwet van toepassing, zoals deze gold op 1 augustus 2001. Derhalve diende het college het besluit van 25 maart 2002 daaraan te toetsen. Nu de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van de aanvraag, niet de verplichting kende tot het opstellen van een welstandsnota en het college deze eerst op 1 juli 2004 heeft vastgesteld, heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld, dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan bij de beslissing op bezwaar niet diende te worden getoetst aan de welstandsnota. Anders dan appellanten betogen, is het besluit van 3 februari 2005 derhalve niet in strijd met artikel 7:11 van de Awb.

2.2.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 21 september 2004, bij de beslissing op bezwaar niet kon volstaan met een nadere onderbouwing van het eerdere welstandsadvies, maar gehouden was een geheel nieuw welstandsadvies uit te brengen.

   Dit betoog faalt. De rechtbank heeft in voormelde uitspraak  overwogen dat de Welstandscommissie "Het Oversticht" (hierna: de welstandscommissie) in haar advies van 8 augustus 2001 ten onrechte niets heeft opgemerkt over de hoogte van de bouwmassa's en de bebouwingsdichtheid van het project in relatie tot de bestaande omgeving en dat het college dit advies dan ook niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Anders dan appellanten betogen, valt uit deze uitspraak voor het college niet de verplichting af te leiden om bij de beslissing op bezwaar een geheel nieuw welstandsadvies uit te brengen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat slechts bepalend is of het aldus door haar in de uitspraak van 21 september 2004 geconstateerde gebrek bij de beslissing op bezwaar is geheeld. Nu dit gebrek bestond uit de onvolledigheid van het advies van 8 augustus 2001 en bij het advies van 24 november 2004 aandacht is besteed aan deze onvolledigheid, heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat niet valt in te zien dat het college niet heeft mogen volstaan met een nadere aanvulling op het eerder uitgebrachte welstandsadvies van 8 augustus 2001.

2.3.    Verder wordt in de enkele omstandigheid dat de welstandscommissie reeds enkele malen een positief advies heeft uitgebracht ten aanzien van het bouwplan, geen grond gezien voor het oordeel dat de welstandscommissie vooringenomen is ten aanzien van het bouwplan. Reeds hierom faalt het betoog van appellanten dat de welstandscommissie vanwege haar vooringenomenheid niet opnieuw om advies mocht worden gevraagd.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, tweede lid, van de Awb, in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 6:24 van die wet, wordt het besluit van 23 januari 2007 geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

2.6.    Appellanten betogen dat het college in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7:9 en 7:2 van de Awb door hen niet te horen voorafgaande aan het besluit van 23 januari 2007. Appellanten voeren aan dat het college hen aldus de mogelijkheid heeft ontzegd om nader te reageren op het aanvullende advies van de welstandscommissie van 24 november 2004.

2.6.1.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 mei 1997 in zaak no. H01.96.0228 (AB 1997, 263) is in artikel 7:2 van de Awb niet een algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Onder omstandigheden kan het uit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om een belanghebbende bij het nemen van een beslissing op bezwaar opnieuw te horen. Zodanige omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Ter zitting van de rechtbank hebben partijen reeds van gedachten gewisseld over het aanvullende advies van de welstandscommissie van 24 november 2004 en het tegenrapport van de welstandscommissie "Hûs en Hiem" (hierna: het advies van Hûs en Hiem) dat zij in beroep hebben overgelegd. Gelet hierop, op de omstandigheid dat het aanvullende advies tevens besproken is in de hoorzitting die aan het besluit van 3 februari 2005 vooraf is gegaan en partijen over dat advies en het advies van de welstandscommissie van 8 augustus 2001 reeds gedurende de gehele procedure uitvoerig hebben gedebatteerd, valt niet in te zien dat een nieuwe hoorzitting uit het oogpunt van zorgvuldigheid nog noodzakelijk was.

2.7.    Appellanten betogen voorts dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het zijn welstandsoordeel heeft gebaseerd op het advies van de welstandscommissie en niet het door hen overgelegde advies van Hûs en Hiem.

2.7.1.    Dit betoog faalt evenzeer. Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bouwplan de in de Bouwverordening opgenomen maatvoering niet overschrijdt en er dan ook geen grond bestaat voor het in het advies van Hûs en Hiem weergegeven inzicht, dat de omvang van het bouwplan uit het oogpunt van welstand onaanvaardbaar moet worden geacht. Hiermee heeft het college voldoende gemotiveerd weergegeven waarom het voorbij is gegaan aan het advies van Hûs en Hiem en zijn welstandsoordeel heeft gebaseerd op de adviezen van de welstandscommissie. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat het advies van Hûs en Hiem weliswaar andere inzichten geeft over de aanvaardbaarheid van het bouwplan in relatie tot de omgeving, maar dat alleen is onvoldoende voor het oordeel dat het college zijn standpunt ten aanzien van de aspecten van welstand van het bouwplan niet heeft mogen baseren op de adviezen van de welstandscommissie dat andere inzichten daarover bevat.

2.8.    Het beroep van appellanten is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2007, kenmerk 07F0001340B&M/pm, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk                               w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer                 ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

313-503.