Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200603594/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2004, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) appellanten onder aanzegging van bestuursdwang gelast om uiterlijk vóór 1 maart 2005 de zonder bouwvergunning geheel vernieuwde stal met gerealiseerde overkapping op het perceel aan de [locatie] te Haaren te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603594/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Haaren,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1986 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 30 maart 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2004, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) appellanten onder aanzegging van bestuursdwang gelast om uiterlijk vóór 1 maart 2005 de zonder bouwvergunning geheel vernieuwde stal met gerealiseerde overkapping op het perceel aan de [locatie] te Haaren te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 27 september 2004, met verbetering van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 30 maart 2006, verzonden op 4 april 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 11 juli 2006 en 12 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2007, waar [een van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door G.M.H. Martens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan appellanten ter zitting hebben aangevoerd, zijn de onder de last begrepen werkzaamheden bouwvergunningplichtig, reeds omdat sprake is van nieuwbouw van de overkapping en van werkzaamheden aan de constructie van de stal die het niveau van gewoon onderhoud te boven gaan. Met de werkzaamheden is derhalve gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet.

2.2.    Het college was derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Vaststaat dat de stal en overkapping in strijd zijn met de planvoorschriften van de bestemmingen die ingevolge het bestemmingsplan "'t Hopveld" (hierna: het bestemmingsplan) aan het perceel zijn toegekend.

   Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie. Zij voeren daartoe aan dat het thans gerealiseerde bouwwerk valt onder het overgangsrecht en dat een reactie van het college op een verzoek om vrijstelling is uitgebleven.

2.3.1.    Ingevolge artikel 22, lid A, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mogen bouwwerken welke bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingplan en die afwijken van het plan gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.

   Ingevolge artikel 22, lid A, aanhef en onder c, mogen deze bouwwerken worden uitgebreid met maximaal 10% van de inhoud op de datum van het onherroepelijk worden van dit plan.

   Niet in geschil is dat de oorspronkelijke stal bestond ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

2.3.2.    Uit de in de beslissing op bezwaar aangehaalde controlerapporten, de overgelegde foto's en de verklaring van de rechtsvoorganger van appellanten blijkt dat de wanden en het dak zijn vernieuwd en dat een voormalige stenen wand is vervangen door een houten wand met  deuropeningen. Voorts beslaat de uitbreiding van de stal met de overkapping meer dan 10% van de inhoud, hetgeen ingevolge artikel 22, lid A, aanhef en onder c, van de planvoorschriften niet is toegestaan. Aldus is geen sprake meer van een gedeeltelijke vernieuwing of verandering dan wel uitbreiding waarvoor ingevolge de overgangsbepaling bouwvergunning kan worden verleend. Dat, naar appellanten stellen, voor de werkzaamheden aan de stal deels bestaande materialen zijn hergebruikt, het binnenwerk niet is veranderd en de overkapping is gebouwd op een bestaande fundering, doet daar niet aan af. Anders dan appellanten betogen, rust de bewijslast dat het overgangsrecht van toepassing is op degene die zich daarop beroept. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

   Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 19, derde en eerste lid, van Wet op de Ruimtelijke Ordening niet is voldaan, zodat reeds daarom geen vrijstelling kon worden verleend. Uit de beslissing op bezwaar blijkt bovendien dat het college aan het bestemmingsplan wenst vast te houden.

   Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie juist is. Het betoog faalt.

2.4.    Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Anders dan appellanten betogen gaat de last, strekkende tot afbraak van het gehele bouwwerk, niet te ver, nu het overgangsrecht met betrekking tot dit bouwwerk is uitgewerkt en het derhalve in zijn geheel in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts betekent het feit dat tussen de vooraankondiging en de aanschrijving ongeveer één jaar is verstreken niet dat het college zijn recht op handhaving heeft verwerkt. In die periode is door het college bovendien nog een controle uitgevoerd.

   De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de  bestuursdwang in redelijkheid kon worden aangezegd.

2.5.    Appellanten betogen tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat de Flora- en faunawet aan de uitvoering van de last onder aanzegging van bestuursdwang in de weg staat in verband met de aanwezigheid in het bouwwerk van een nestkast met steenuilen.

2.5.1.    Dit betoog faalt. Voorop staat dat, naar appellanten in hun hoger beroepschrift hebben aangegeven, vóór het instellen van beroep bij de rechtbank nog geen sprake was van een broedend paartje steenuilen, zodat daarmee in de beslissing op bezwaar ook geen rekening kon worden gehouden.    

   Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat, nu, naar het college heeft verklaard, bij de uitvoering rekening wordt gehouden met het broedseizoen en bij de verwijdering van de nestkast deskundigen worden ingeschakeld, het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoering van de aanzegging van bestuursdwang in de weg staat. Het tijdstip van de uitvoering moet door het college nog nader worden bepaald en maakt geen deel uit van deze procedure.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

429-530.