Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200603524/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) het verzoek van appellante om vrijstelling van het bestemmingsplan voor het in gebruik nemen van het pand op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van een audiovisueel bedrijf, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603524/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05-4955 van de rechtbank Haarlem van 30 maart 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) het verzoek van appellante om vrijstelling van het bestemmingsplan voor het in gebruik nemen van het pand op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van een audiovisueel bedrijf, afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2006, verzonden op 31 maart 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [vennoot A], bijgestaan door mr. J.W. Janssens, advocaat te Bunschoten, en het college, vertegenwoordigd door drs. W. Dooijes, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Zeehaven IJmuiden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijven".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de voor "Bedrijven" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor bedrijven, voor zover deze behoren tot de categorieën 1, 2, 3 en 4 van de van de planvoorschriften deel uitmakende "Staat van bedrijfsactiviteiten".

   Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het gebied waarin het perceel is gelegen bestemd voor haven- en kadegebonden bedrijven, alsmede voor ondersteunende bedrijven en is het beleid binnen het gebied waarin het perceel is gelegen gericht op het versterken van de verse visverwerking, de trawlervisserij en de vriesveemsector.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 29, van de planvoorschriften, wordt onder kadegebonden bedrijven verstaan bedrijven die activiteiten verrichten die onlosmakelijk verbonden zijn met de afwikkeling van schepen en het daarmee verbonden personen- en vrachtverkeer en op grond van deze activiteiten direct aan het kadeterrein moeten worden gesitueerd, alsmede scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 30, van de planvoorschriften, wordt onder havengebonden bedrijven verstaan bedrijven gericht op het vervoer van goederen en personen over water, alsmede scheepsbouw- en scheepsreparatiebedrijven.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 31, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder ondersteunende bedrijven verstaan bedrijven die blijvend gericht zijn op de dienstverlening aan kade- en havengebonden bedrijven en voor hun bedrijfseconomisch functioneren afhankelijk zijn van:

a. de binding met de kade- en havengebonden bedrijven, en

b. de nabijheid van de kade- en havengebonden bedrijven.

   Ingevolge artikel 4, negende lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die niet voorkomt in de tot het plan behorende "Staat van bedrijfsactiviteiten".

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar terecht niet als een ondersteunend bedrijf als bedoeld in artikel 3 van de planvoorschriften heeft aangemerkt. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gekeken naar de daadwerkelijke binding van appellante met de aanwezige kade- en havengebonden bedrijven en de motivatie van die bedrijven om van de diensten van appellante gebruik te maken.

2.2.1.    Dit betoog faalt.

   De rechtbank heeft voor het antwoord op de vraag of het audiovisuele bedrijf valt onder de bedrijfsbestemming terecht mede betekenis toegekend aan artikel 3 (beschrijving in hoofdlijnen) van de planvoorschriften. De beschrijving in hoofdlijnen kadert de bestemming van het gebied waarin het perceel is gelegen nader in en is voldoende concreet en objectief bepaalbaar om als toetsingskader te dienen.

   Niet aannemelijk is gemaakt dat een bedrijf dat audiovisuele apparatuur verhuurt en audiovisuele diensten aanbiedt naar zijn aard blijvend gericht is op dienstverlening aan kade- en havengebonden bedrijven en voor het bedrijfseconomisch functioneren afhankelijk is van de binding met en de nabijheid van die bedrijven. Dat appellante door haar aanwezigheid in het door het bestemmingplan bestreken gebied inmiddels veel klanten in dat gebied heeft en daarvan feitelijk afhankelijk is, maakt nog niet dat haar bedrijf ondersteunend is in de zin van artikel 1, aanhef en onder 31, van de planvoorschriften.

   Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vestiging van het bedrijf van appellante op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij voert daartoe aan dat de vestiging op het perceel bijdraagt aan het ten aanzien van het door het bestemmingplan bestreken gebied gevoerde beleid. Dit beleid wordt volgens appellante op onaanvaardbare wijze ingeperkt wanneer het college uitsluitend vrijstelling wenst te verlenen indien sprake is van een op de visverwerking gerichte bedrijfsactiviteit. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel dient te worden verworpen, aldus appellante.

2.3.1.    Het beleid binnen het gebied waarin het perceel is gelegen is blijkens de beschrijving in hoofdlijnen uitdrukkelijk gericht op het versterken van de verse visverwerking, de trawlervisserij en de vriesveemsector. Blijkens de beslissing op bezwaar bestaat schaarste aan bedrijfsterreinen en bedrijfsunits voor kade- en havengebonden bedrijven en aan bedrijfsterreinen ten behoeve van de vestiging van bedrijven die behoren tot categorie 4 van de "Staat van bedrijfsactiviteiten". Voorts is het blijkens de beslissing op bezwaar, gezien ook de in de nabijheid beschikbare mogelijkheden, voor appellante niet noodzakelijk zich op het perceel te vestigen.

De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht geoordeeld dat de weigering om vrijstelling te verlenen ter handhaving van het beleid niet onredelijk is.

   In de beslissing op bezwaar heeft het college gemotiveerd aangegeven waarom de door appellante met naam genoemde bedrijven niet met haar bedrijf gelijk zijn te stellen. Ten aanzien van de overige genoemde bedrijven heeft het college aangegeven zonodig handhavingsinstrumenten in te zetten. Blijkens de brief van het college van 26 juli 2006, waarmee op het hoger beroep is gereageerd, is daarmee inmiddels een aanvang gemaakt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen aanleiding behoefde te vinden de vrijstelling te verlenen.

   Het betoog faalt.    

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                                         w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

429-530.