Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1139

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604698/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college), onder meer, geweigerd bouwvergunning en vrijstelling te verlenen aan [partij], de rechtsvoorganger van appellant, voor een terrasoverkapping op het perceel [locatie], te Vught (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/117 met annotatie van B. Rademaker
Module Vastgoed en wonen 2007/120
Module Bouwregelgeving 2007/769
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604698/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2285 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 mei 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college), onder meer, geweigerd bouwvergunning en vrijstelling te verlenen aan [partij], de rechtsvoorganger van appellant, voor een terrasoverkapping op het perceel [locatie], te Vught (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 19 februari 2003 herroepen en de bouwvergunning wederom geweigerd.

Bij uitspraak van 12 mei 2006, verzonden op 17 mei 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. F.C.J.J. Jessen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door D.N. Bastin en J.A.M. den Dungen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan heeft betrekking op een glazen terrasoverkapping van circa 9 m bij 3 m en een hoogte van circa 3.20 m aflopend naar circa 2.30 m.

2.2.    Ingevolge artikel 44 van de Woningwet, mag de bouwvergunning alleen en moet deze worden geweigerd, voor zover hier van belang, indien het bouwwerk naar het oordeel van het college niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, mogen het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria als bedoeld in artikel 12a, eerste lid onder a.

   Ingevolge artikel 12a, van de Woningwet, voor zover hier van belang stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende de beleidsregels waarin criteria zijn opgenomen die het college toepast bij zijn welstandsbeoordeling.

2.3.    Het college heeft aan de weigering van de bouwvergunning in de beslissing op bezwaar van 6 juni 2005 ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Dit standpunt heeft het college gebaseerd op adviezen van de welstandscommissie van 8 juli 2003, 16 september 2003 en 19 april 2005.

2.4.    Ter zitting heeft appellant zijn standpunt dat overneming van het welstandsadvies leidt tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet langer gehandhaafd zodat dit punt geen bespreking behoeft.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij de beslissing op bezwaar het advies van de welstandscommissie heeft kunnen volgen, zonder daarbij in te gaan op het door appellant overgelegde rapport van 18 augustus 2005 (hierna: het tegenadvies), van de architect J. Hoppel. In dit verband wijst appellant erop dat pas bij de beslissing op bezwaar van 6 juni 2005 strijd met redelijke eisen van welstand aan de weigering ten grondslag is gelegd en dat het college hem ten onrechte niet voordat de beslissing op bezwaar is genomen in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van het welstandsadvies van 19 april 2005.

2.6.    Dit betoog faalt. In het welstandsadvies van 19 april 2005 heeft de welstandscommissie aangegeven dat, ook indien wordt getoetst aan de op 11 mei 2004 vastgestelde welstandsnota, het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. De welstandsadviezen van 8 juli 2003 en 16 september 2003 waarbij is getoetst aan het voordien geldende welstandsregime op grond van de Bouwverordening worden hiermee uitdrukkelijk bevestigd. Appellant heeft voor de beslissing op bezwaar kennis kunnen nemen van de laatstgenoemde adviezen. Het welstandsadvies van 19 april 2005 kan dan ook niet worden aangemerkt als een na het horen hangende bezwaar aan het college bekend geworden feit of een omstandigheid die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang is geweest. Onder deze omstandigheden is geen sprake van schending van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.    De rechtbank heeft terecht het tegenadvies en de reactie van de welstandscommissie hierop in een nader advies van 18 oktober 2005 bij zijn oordeel betrokken en is tot het juiste oordeel gekomen dat het college de advisering van de welstandscommissie aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Het college heeft het bouwplan op architectonische argumenten in strijd met de redelijke eisen van welstand geacht. Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank ten onrechte geen belang heeft gehecht aan het argument in het tegenadvies dat het bouwplan, als gevolg van de afstand tot de openbare weg en de afscherming door de met hedera begroeide beukenhaag, het straatbeeld niet verstoort. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de reeds op het perceel aanwezige of nog aan te brengen beplanting geen deel uitmaakt van het bouwplan en, omdat ze niet blijvend is gegarandeerd, geen beslissende rol kan spelen bij de welstandstoets. Het bouwplan mag bovendien, zonder rekening te houden met deze beplanting, niet in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                                    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

17-544.