Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604670/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van drie bijgebouwen op het perceel kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie […] nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604670/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/497 van de rechtbank Breda van 15 mei 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van drie bijgebouwen op het perceel kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie […] nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 december 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 januari 2006, (lees 20 juni 2006) bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2007, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus en A.J. Bolders, ambtenaren der gemeente Woensdrecht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan heeft betrekking op het bouwen van drie bijgebouwen ter vervanging van bestaande bijgebouwen.

De oppervlakte van de bestaande bijgebouwen was in totaal 347 m². Na vervanging van de drie bijgebouwen beslaan de bijgebouwen in totaal een oppervlakte van  336 m².

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna het bestemmingsplan) ligt het perceel in een gebied met gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden" en heeft het perceel de detailbestemming "Wonen", met de nadere aanduiding "Vrijstaande woningen".

   Ingevolge artikel 0.7, lid A, onder 1, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag, voor zover de afwijking van het plan niet wordt vergroot, bebouwing die afwijkt van het plan en die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, na calamiteit worden herbouwd, mits de bouwvergunning binnen twee jaar na calamiteit is aangevraagd.

2.3.    Het bouwplan is voor zover het de totale oppervlakte van de bijgebouwen betreft, in strijd is met de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte van 75 m² voor het bouwen van bijgebouwen.

   Met het overgangsrecht wordt beoogd, uit oogpunt van rechtszekerheid, een bestaand bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan, gedurende een overbruggingsperiode in stand te laten. Het met het bestemmingsplan strijdige bouwwerk dient op termijn echter te verdwijnen. Tenzij sprake is van een calamiteit heeft het overgangsrecht dus niet tot doel herbouw mogelijk te maken van een tenietgegaan bouwwerk dat in strijd was met het bestemmingsplan.

2.4.     Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van herbouw na een calamiteit. Volgens hem zijn de oorspronkelijke bijgebouwen door storm tenietgegaan.

2.5.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van19 april 2006, in zaak no. 200506231/1, moet onder een calamiteit worden verstaan een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de betrokkene veroorzaakt onheil. Instorting tijdens een storm als gevolg van achterstallig onderhoud of onvoldoende hechtheid is geen calamiteit.

   Appellant heeft ter zitting erkend dat onderhoud aan de bijgebouwen noodzakelijk was. Bovendien was het bouwwerk, dat volgens appellant  circa vier meter hoog was, afgedekt met een kunststoffen dak, rustend op vier paaltjes van acht bij acht centimeter en aan één zijde open, op zichzelf zeer windgevoelig, zeker bij leegstand. De stelling van appellant dat sprake was van zware windstoten waardoor een kastanjeboom met een omtrek van ruim een meter over een lengte van ongeveer twee meter volledig is opengescheurd, zoals door appellant gesteld, is onvoldoende voor de conclusie dat de weersomstandigheden zodanig waren dat als gevolg daarvan ook een goed onderhouden en minder extreem windgevoelig bouwwerk zou zijn omgewaaid.

   Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de bijgebouwen zich in een zodanige staat van onderhoud bevonden dat deze zijn ingestort als gevolg van een calamiteit en niet als gevolg van achterstallig onderhoud of onvoldoende hechtheid in samenhang met een calamiteit.    

2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Appellant wijst er daartoe op dat het college zich er niet in redelijkheid op kan beroepen dat zijn beleid erop is gericht verstening van het buitengebied tegen te gaan. In dit verband heeft hij aangevoerd dat dit jaar onder dit beleid in een straal van 100 m vergunningen zijn afgegeven voor het bouwen van een extra bijgebouw en voor het bouwen van een loods en dat het college medewerking heeft verleend aan een project recht tegenover zijn woning, waarbij twee agrarische loodsen worden afgebroken en hiervoor in de plaats vier landhuizen en tien vakantiewoningen worden gebouwd.

2.7.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het al dan niet verlenen van vrijstelling een bevoegdheid van het college betreft die door de bestuursrechter terughoudend behoort te worden getoetst. Het planologisch beleid van het college is erop gericht om (verspreide) bebouwing in het buitengebied te voorkomen dan wel te beperken, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het provinciale streekplan. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college aangegeven dat ingevolge dit beleid, waarin de beslissing op bezwaar past, voor het buitengebied nimmer vrijstelling wordt verleend voor overschrijding van de bebouwingsoppervlakte voor bijgebouwen van 75 m², behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden.

2.8.    Nu appellant de door hem gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de vier landhuizen en de tien vakantiewoningen niet in zijn beroepschrift maar eerst ter zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd, moet worden geconcludeerd dat dit in een te laat stadium van de procedure is gebeurd, zodat de rechtbank daarop terecht niet is ingegaan. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet (tijdig) voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd dient het betoog van appellant op dit punt in hoger beroep buiten beschouwing te blijven. Dit geldt eveneens voor de eerst in hoger beroep gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het extra bijgebouw en de loods.

2.9.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                                w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

218-544.