Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200603339/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 28 februari 2005 heeft appellant het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) gevraagd of er op zijn perceel in Ravenswaaij mag worden gebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603339/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4349 van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren.

1.    Procesverloop

Bij brief van 28 februari 2005 heeft appellant het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) gevraagd of er op zijn perceel in Ravenswaaij mag worden gebouwd.

Bij brief van 14 maart 2005 heeft het college daarop ontkennend geantwoord.

Bij besluit van 2 augustus 2005, waarvan aan appellant mededeling is gedaan bij namens het college ondertekende brief van 15 september 2005 en opnieuw bij door het college ondertekende brief van 14 februari 2006, heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door E. van Wijk-van Dam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het beroep van appellant is bij voornoemde uitspraak van de rechtbank van 15 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard aangezien het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn op de rekening van de rechtbank was bijgeschreven noch ter griffie van de rechtbank was gestort.

2.2.    Uit de stukken blijkt dat de griffier van de rechtbank bij schrijven van 1 december 2005 appellant heeft medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort.

   Vervolgens heeft de griffier van de rechtbank appellant bij aangetekend schrijven van 5 januari 2006, verzonden 6 januari 2006, er op gewezen dat het verschuldigde griffierecht thans binnen vier weken moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie gestort. Tevens is appellant bij die brief medegedeeld dat indien het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

   Uiterlijk op 3 februari 2006 diende het griffierecht derhalve te zijn bijgeschreven of gestort.

   Appellant heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan.

2.3.    Op 6 februari 2006 is de enveloppe met daarin het schrijven van 5 januari 2006 door de rechtbank retour ontvangen via TPG-post. Uit de sticker op de enveloppe blijkt dat de brief op 9 januari 2006 tevergeefs aan het huisadres van appellant is aangeboden en vervolgens niet door appellant is afgehaald op het postkantoor.

   De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het feit dat appellant dit aangetekend verzonden schrijven niet bij het postkantoor heeft afgehaald of laten afhalen, voor risico van appellant dient te blijven.

2.4.    Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet geacht kan worden niet in verzuim te zijn geweest.

2.5.    De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                                 w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

202