Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200605292/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ten Boer (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats], gemeente Ten Boer (hierna: het perceel), en de daarop aanwezige opstallen, als tuincentrum te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605292/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/532 van de rechtbank Groningen van 6 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Ten Boer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ten Boer (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats], gemeente Ten Boer (hierna: het perceel), en de daarop aanwezige opstallen, als tuincentrum te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2005 herroepen en appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 15 mei 2006 het gebruik van het perceel en de daarop aanwezige opstallen als showroom voor sierbestrating en andere tuinartikelen te staken en gestaakt te houden.

Bij uitspraak van 6 juli 2006, verzonden op 7 juli 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 maart 2006 vernietigd wat betreft de daarin aan appellant gegunde termijn te voldoen aan de last onder dwangsom, en de aan appellant in het besluit van 16 maart 2006 gegunde termijn gesteld op 1 oktober 2006 en die uitspraak in de plaats laten treden van het vernietigde gedeelte van het besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college van gedeputeerde staten) en de Inspecteur van VROM-Inspectie Regio Noord (hierna: de inspecteur) zijn als partij in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Lont en drs. H. Bos, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat het voormelde gebruik van het perceel niet in strijd is met de daaraan gegeven bestemming.

2.1.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Landelijk gebied, grondgebonden agrarisch bedrijf".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

   Ingevolge artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 omschreven doeleinden.

   Ingevolge artikel 1, onder q, van de planvoorschriften wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

   Ingevolge artikel 1, onder r, van de planvoorschriften wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik gemaakt wordt van open grond (waaronder ook begrepen grond met kassen met een hoogte van niet meer dan 1 m).

2.1.2.    Het betoog faalt. Een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, onder q, van de planvoorschriften is gericht op het voortbrengen van producten. Appellant gebruikt het perceel, naar hij ter zitting en in zijn (hoger) beroepschrift kenbaar heeft gemaakt, als showroom voor sierbestrating en aanverwante artikelen. Het gebruik dat appellant aldus van het perceel maakt, is niet aan te merken als agrarisch bedrijf, omdat het niet is gericht op het voortbrengen van een agrarisch product, doch op het tentoonstellen van voormelde producten. De omstandigheid dat appellant hoofdzakelijk gebruik maakt van open grond, heeft, wat daar verder van zij, niet tot gevolg dat sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Gelet hierop is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het gebruik van het perceel in strijd is met de daaraan gegeven bestemming.

2.2.     De conclusie is dat is gehandeld in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat het college voornemens was het gebruik te legaliseren. Het college behoort volgens appellant het college van gedeputeerde staten te overtuigen dat legalisering ter plaatse niet ongewenst is. Het oordeel van de rechtbank dat geen concreet zicht op legalisering bestaat, is dan ook een voorbarige, aldus appellant.

2.3.1.    Dit betoog faalt eveneens. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn brief van 2 augustus 2004 te kennen gegeven geen medewerking te verlenen aan legalisering van het strijdige gebruik, omdat het provinciaal en landelijk beleid, dat er op gericht is het landelijk gebied te vrijwaren van functies die daaraan functioneel gezien niet gebonden zijn, daarvoor geen ruimte biedt en het college bij die brief verzocht handhavend op te treden tegen dat gebruik. Nu het gebruik volgens het college van gedeputeerde staten in strijd is met het provinciaal beleid, appellant zich niet tegen dat standpunt keert, maar van mening is dat het college het college van gedeputeerde staten van een ander standpunt moet overtuigen, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering. De omstandigheid dat het college voornemens was het gebruik te legaliseren, doet reeds hierom daaraan niet af. Daarbij komt dat de Afdeling, anders dan appellant, van oordeel is dat het college in dit geval niet gehouden is het college van gedeputeerde staten te overtuigen van legalisering. Los daarvan stond het appellant overigens vrij het college van gedeputeerde staten te overtuigen van zijn standpunt. Een daartoe strekkend verzoek heeft appellant niet gedaan.

2.4.    Appellant betoogt ten slotte tevergeefs dat de door de rechtbank gestelde termijn waarbinnen geen dwangsom wordt verbeurd, te kort is. Deze termijn is niet te kort om de maatregelen te kunnen treffen ter voorkoming van het verbeuren van de dwangsom. Dat deze termijn niet volstaat om het door appellant ingekochte assortiment voor het jaar 2007-2008 terug te kunnen verdienen, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt, waar bij het stellen van deze termijn geen rekening behoeft te worden gehouden. Ook de duur van de voorgeschiedenis waar appellant op heeft gewezen is, gelet hierop, niet van betekenis.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                          w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

313-531.