Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
200604530/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellante om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604530/1.

Datum uitspraak: 21 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1348 van de rechtbank Groningen van 11 mei 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellante om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2004 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 mei 2006, verzonden op 12 mei 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2007, waar de Minister van Justitie, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen. Appellante is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), zoals die bepaling vóór 1 april 2003 en voor zover thans van belang luidde, komen voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking verzoekers die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kunnen worden beschouwd op grond van het feit dat zij beschikken over een redelijke kennis van de Nederlandse taal en dat zij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving hebben doen opnemen.

   Volgens de vernieuwde Handleiding voor de toepassing van de RWN 1999 (hierna: de Handleiding) kan van 'redelijke kennis van de Nederlandse taal' worden gesproken als een verzoeker minimaal een eenvoudig gesprek in het Nederlands over alledaagse dingen kan voeren. De taalvaardigheid kan worden getoetst aan de hand van het gemak waarmee betrokkene antwoord geeft op vragen tijdens het inwinnen van informatie of het indienen van het verzoek, en aan de hand van een inburgeringsgesprek, waarbij enkele vragen over alledaagse activiteiten van de verzoeker kunnen worden gesteld.

   Voorts is hierin vermeld dat de eis van taalbeheersing zich niet in alle situaties gelijkelijk laat toepassen. In bepaalde gevallen is er aanleiding enige soepelheid te betrachten; te denken valt aan analfabeten, aan mensen met een beperkte schoolopleiding, een geestelijke of lichamelijke handicap en aan ouderen. Daarnaast kan het verzoek worden toegewezen ook al is een verzoeker nog niet in staat een eenvoudig gesprek in het Nederlands te voeren, ingeval hij kan aantonen dat hij zich wel heeft ingespannen, bijvoorbeeld omdat hij een cursus Nederlands heeft gevolgd, ook al heeft hij deze niet met succes afgerond, en er van de cursusleiding een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat hij de lessen frequent heeft bezocht.

   Wel verdraagt deze soepelheid zich volgens de Handleiding slechts dan met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN (oud) wanneer reeds sprake is van een zodanige mate van kennis van de Nederlandse taal, dat het redelijkerwijs gesproken gewaarborgd is dat die kennis, gegeven de mate waarin betrokkene zich overigens heeft ingeburgerd, in de toekomst verder zal uitgroeien.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij ten tijde van het besluit van 1 december 2004 niet beschikte over een redelijke kennis van de Nederlandse taal in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN. Daartoe voert zij aan dat niet in geschil is dat zij een eenvoudig gesprekje in het Nederlands kan voeren. Voorts hebben zowel de minister als de rechtbank volgens haar miskend dat, voor zover dit niet het geval is, haar dit niet kan worden tegengeworpen, omdat zij, haar faalangst in aanmerking nemende, al het mogelijke heeft gedaan om zich de Nederlandse taal eigen te maken.

2.2.1.    Appellante stelt ten onrechte dat niet in geschil is dat zij een eenvoudig gesprekje in het Nederlands kon voeren. Volgens een aan haar gerichte brief van de minister van 16 april 2004 was zij tijdens de indiening van het verzoek op 21 maart 2003 daartoe niet in staat. Ten tijde van het inburgeringsgesprek op 11 juni 2004 was dit blijkens een brief van de Afdeling burgerzaken van de gemeente Delfzijl aan de minister van 15 juni 2004 niet anders. Appellante kon met de betrokken ambtenaren geen eenvoudig gesprek voeren over haar kinderen of de koningin; zij begreep het niet en kon niets in eigen woorden vertellen, aldus de brief.

   Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister, wat er zij van de door appellante gestelde faalangst en van het feit dat de door haar gevolgde Nederlandse taallessen buiten haar toedoen zouden zijn gestaakt, niet heeft hoeven aannemen dat appellante ten tijde van het besluit van 1 december 2004 over een zodanige mate van kennis van de Nederlandse taal beschikte, dat redelijkerwijs gewaarborgd was dat die kennis, gegeven de mate waarin zij zich overigens had ingeburgerd, in de toekomst verder uit zou groeien. De omstandigheid dat appellante zich op 10 september 2004 opnieuw had ingeschreven voor Nederlandse taallessen die op 15 november 2004 zouden aanvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is dat haar kennis van de Nederlandse taal ten tijde van het besluit van 1 december 2004 als gevolg van deze taallessen was vergroot.

   De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante ten tijde van het besluit van 1 december 2004 niet beschikte over een redelijke kennis van de Nederlandse taal in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN.

   Het betoog faalt.    

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink                        w.g. Groeneweg

Voorzitter                             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007

32-485.