Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
200700925/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijwonen zitting

Uit de stukken blijkt niet dat de rechtbank appellant heeft uitgenodigd voor de [..] zitting, die aan de aangevallen uitspraak is voorafgegaan. Nu appellant stelt geen uitnodiging te hebben ontvangen, moet worden geoordeeld dat de rechtbank de aangevallen uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in voormelde wetsbepalingen, waardoor appellant niet de gelegenheid heeft gehad om zijn beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. De grief slaagt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700925/1.

Datum uitspraak: 9 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/60360 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 februari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt appellant dat de rechtbank heeft nagelaten hem uit te nodigen voor de zitting, zodat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn beroep toe te lichten en in zijn belangen is geschaad.

2.2. Ingevolge artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

Ingevolge artikel 8:52, derde lid, van die wet is artikel 8:56 niet van toepassing indien de rechtbank bepaalt dat de zaak versneld wordt behandeld. In dat geval bepaalt de rechtbank zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden en doet zij daarvan onverwijld mededeling aan partijen.

2.2.1. Uit de stukken blijkt niet dat de rechtbank appellant heeft uitgenodigd voor de op 19 januari 2007 gehouden zitting, die aan de aangevallen uitspraak is voorafgegaan. Nu appellant stelt geen uitnodiging te hebben ontvangen, moet worden geoordeeld dat de rechtbank de aangevallen uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in voormelde wetsbepalingen, waardoor appellant niet de gelegenheid heeft gehad om zijn beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State, naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2007 in zaak no. AWB 06/60360;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Kammeraat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007

295

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak