Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA1075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
200608053/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Subsidiair karakter verzoek

Vastgesteld moet worden dat appellant in zijn brief van 20 januari 2005 tevens gemotiveerd heeft verzocht om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden. De minister had ook hierop te beslissen. Dat dit verzoek een subsidiair karakter draagt, doet daaraan niet af, reeds omdat het primaire verzoek niet tot vergunningverlening heeft geleid. Bovendien heeft appellant naar aanleiding van de brief van de minister van 20 september 2005 en in zijn zienswijze betreffende het voornemen tot het besluit van 6 maart 2006 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden, naar de Afdeling begrijpt, gelet op het subsidiaire karakter van dit verzoek, indien de minister negatief op het primaire verzoek beslist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 25
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608053/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/14187, 06/14189 en 06/12832 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 13 oktober 2006 in de gedingen tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij brief van 20 januari 2005 heeft appellant de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) primair verzocht de afwijzing van zijn asielaanvraag te heroverwegen en subsidiair om hem een verblijfsvergunning te verlenen met toepassing van de in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) voorziene discretionaire bevoegdheid.

Bij brief van 16 februari 2005 heeft de minister naar aanleiding daarvan meegedeeld dat geen aanleiding bestaat van de inherente afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken.

Bij brief van 23 februari 2005 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 20 september 2005 heeft de minister zijn brief van 16 februari 2005 ingetrokken. Appellant heeft zijn bezwaar gehandhaafd.

De minister heeft de brief van 20 januari 2005 opgevat als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en deze bij besluit van 6 maart 2006 afgewezen. Op dezelfde datum heeft de minister het bezwaarschrift van 23 februari 2005 doorgestuurd aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

In de beroepsgronden van 27 maart 2006 tegen het besluit van 6 maart 2006 heeft appellant verzocht het doorgestuurde bezwaarschrift te beschouwen als te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 13 oktober 2006, verzonden op 16 oktober 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ongegrond verklaard (zaak no. AWB 06/14187) en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen (zaak no. AWB 06/12832) niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 november 2006 heeft de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat de brief van 20 januari 2005 door de minister mocht worden opgevat als een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

2.1.1. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat de minister ervan mocht uitgaan dat sprake was van een herhaald asielverzoek nu de brief van 20 januari 2005 primair ziet op heroverweging van appellants asielaanvraag. Aangezien appellant in zijn brief van 20 december 2005 (lees: 20 januari 2005) de reguliere verblijfsvergunning bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 uitsluitend subsidiair vermeldt, ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

Ten aanzien van zaak no. AWB 06/14187

2.2. Vastgesteld moet worden dat in de brief van 20 januari 2005 primair wordt verzocht de afwijzing van de asielaanvraag te heroverwegen. De rechtbank heeft derhalve in zoverre terecht overwogen dat de minister ervan mocht uitgaan dat sprake was van een herhaald asielverzoek. De grief faalt voor zover deze is gericht tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/14187.

2.3. Het hoger beroep in zaak no. AWB 06/14187 is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak in die zaak dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van zaak no. AWB 06/12832

2.4. Vastgesteld moet worden dat appellant in zijn brief van 20 januari 2005 tevens gemotiveerd heeft verzocht om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden. De minister had ook hierop te beslissen. Dat dit verzoek een subsidiair karakter draagt, doet daaraan niet af, reeds omdat het primaire verzoek niet tot vergunningverlening heeft geleid. Bovendien heeft appellant naar aanleiding van de brief van de minister van 20 september 2005 en in zijn zienswijze betreffende het voornemen tot het besluit van 6 maart 2006 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden, naar de Afdeling begrijpt, gelet op het subsidiaire karakter van dit verzoek, indien de minister negatief op het primaire verzoek beslist.

De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de minister niet bevoegd was op het ingediende bezwaarschrift van 23 februari 2005 te beslissen en dat hij het gelet op artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op goede gronden heeft doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister, na de intrekking bij brief van 20 september 2005 van zijn brief van 16 februari 2005, het bezwaarschrift had dienen op te vatten als te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, het bezwaar gelet op artikel 25, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 gegrond dienen te verklaren en alsnog in zoverre een besluit op de aanvraag van 20 januari 2005 dienen te nemen.

De grief slaagt in zoverre.

2.5. Het hoger beroep in zaak no. AWB 06/12832 is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak in die zaak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep in die zaak bij de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. Zij verstaat dat het bezwaarschrift ter behandeling aan de minister wordt teruggezonden, opdat deze daarop beslist.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond voor zover gericht tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/14187;

II. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover gericht tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/12832;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 13 oktober 2006 in zaak no. AWB 06/12832;

IV. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep niet ontvankelijk;

V. veroordeelt de Minister van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007

210.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak