Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
200606275/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regulier / herhaalde aanvraag / nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden

De vreemdeling heeft eerder een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf bij echtgenoot [naam] te verlenen. Deze aanvraag is bij besluit van 19 oktober 2001 afgewezen. Bij besluit van 25 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep is bij uitspraak van 23 december 2002 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2003 in zaak no. 200300411/1 is deze uitspraak bevestigd. De rechtbank heeft miskend dat eerdervermelde brief van 9 april 2003 is opgesteld op verzoek van de vreemdeling. Niet valt in te zien waarom zij dat verzoek niet in de voorgaande procedure had kunnen doen. Derhalve moet worden aangenomen dat zij de reactie van de Russische consul reeds voorafgaand aan het eerdere besluit had kunnen inbrengen indien zij zich destijds tot de consul had gericht. Gelet hierop, heeft de rechtbank voormelde brief ten onrechte als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aangemerkt. De door de vreemdeling in de bezwaarfase overgelegde beantwoording door de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 augustus 2003 van vragen van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Huizinga Heringa over de geldigheid van paspoorten van de Russische Federatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, Aanhangsel, no. 1684), die volgens de rechtbank de stelling van de vreemdeling dat haar geen paspoort kan worden verstrekt bevestigt, kan evenmin worden aangemerkt als novum, daar op voorhand is uitgesloten dat deze algemene informatie kan afdoen aan het eerdere ten aanzien van de vreemdeling genomen besluit. Uit die beantwoording kan immers niet worden afgeleid dat de vreemdeling niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606275/1.

Datum uitspraak: 22 februari 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/39011 van de rechtbank

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 26 juli 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling], mede ten behoeve van haar minderjarig kind,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt de minister onder meer dat de rechtbank ten onrechte een door de vreemdeling overgelegde brief van de Russische consul van 9 april 2003, waarin is vermeld dat niet kan worden bevestigd dat zij Russisch staatsburger is, zodat aan haar geen paspoort kan worden verstrekt, als nieuw feit heeft aangemerkt, nu niet valt in te zien dat een dergelijke verklaring niet tijdens de eerdere procedure had kunnen worden ingebracht.

2.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1; AB 2003, 315) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een naar inhoud en toetsingskader materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.3. De vreemdeling heeft eerder een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf bij echtgenoot [naam] te verlenen. Deze aanvraag is bij besluit van 19 oktober 2001 afgewezen. Bij besluit van 25 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep is bij uitspraak van 23 december 2002 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2003 in zaak no. 200300411/1 is deze uitspraak bevestigd.

2.3.1. De rechtbank heeft miskend dat eerdervermelde brief van 9 april 2003 is opgesteld op verzoek van de vreemdeling. Niet valt in te zien waarom zij dat verzoek niet in de voorgaande procedure had kunnen doen. Derhalve moet worden aangenomen dat zij de reactie van de Russische consul reeds voorafgaand aan het eerdere besluit had kunnen inbrengen indien zij zich destijds tot de consul had gericht. Gelet hierop, heeft de rechtbank voormelde brief ten onrechte als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aangemerkt. De door de vreemdeling in de bezwaarfase overgelegde beantwoording door de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 augustus 2003 van vragen van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Huizinga Heringa over de geldigheid van paspoorten van de Russische Federatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, Aanhangsel, no. 1684), die volgens de rechtbank de stelling van de vreemdeling dat haar geen paspoort kan worden verstrekt bevestigt, kan evenmin worden aangemerkt als novum, daar op voorhand is uitgesloten dat deze algemene informatie kan afdoen aan het eerdere ten aanzien van de vreemdeling genomen besluit. Uit die beantwoording kan immers niet worden afgeleid dat de vreemdeling niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort.

De grief slaagt. Gelet hierop behoeft grief 2 geen bespreking.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 22 augustus 2005 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na het vorenoverwogene nog bespreking behoeven.

2.5. De vreemdeling heeft betoogd dat door de minister inmiddels is onderkend dat in een geval als het onderhavige sprake is van een situatie die leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daartoe heeft de vreemdeling in de eerste plaats gewezen op het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: het WBV) 2005/1, waarin is vermeld dat op de voet van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) het niet beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd niet zal worden tegengeworpen aan vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een aanvraag hebben ingediend om toelating als vluchteling en verblijf bij een echtgenoot beogen die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel. Voorts heeft hij in dat verband gewezen op de ter implementatie van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging in het WBV 2005/5 opgenomen en op 15 februari 2005 in werking getreden bepalingen ten behoeve van gezinsleden die gezinshereniging beogen bij een toegelaten vluchteling maar over een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon beschikken.

2.5.1. De Afdeling verstaat dit betoog aldus, dat volgens de vreemdeling ten tijde van het besluit van 22 augustus 2005 sprake was van nieuw recht en haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij dat besluit derhalve ten onrechte als een herhaalde aanvraag is aangemerkt. Dat betoog faalt. Blijkens het WBV 2005/1 blijft onverkort staan dat, behoudens het vereiste dat de desbetreffende vreemdeling beschikt over een geldige mvv, aan alle overige voorwaarden en voorschriften voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging moet worden voldaan. Nu de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding is het WBV 2005/1 niet op haar van toepassing en is dit WBV voor haar geen relevante wijziging van het recht. Voorts wordt blijkens het WBV 2005/5 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging niet verleend, indien de desbetreffende vreemdeling niet op de voet van artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 of artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 is vrijgesteld van het vereiste dat hij beschikt over een geldige mvv. Reeds hierom behelst dit WBV voor de vreemdeling evenmin een relevante wijziging van het recht.

2.6. Voor zover de vreemdeling betoogt dat de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) ter zake van de artikelen 8 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is gewijzigd, is de Afdeling van oordeel dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2003 in zaak no. 200301231/1, JV 2003/278) arresten van het EHRM geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

2.7. De klachten falen. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 26 juli 2006 in zaak no. AWB 05/39011;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Beerse

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007

382-490.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak