Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
200609124/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afghanistan / verslechtering algemene veiligheidssituatie / nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden

Appellant heeft bij zijn herhaalde aanvraag onder meer een brief van Amnesty International, Afdeling Nederland, aan de minister van 26 juni 2006, rapporten van de Secretary-General van de United Nations General Assembly Security Council van 7 maart en 11 september 2006, een rapport van Human Rights Watch van juli 2006 en verschillende krantenartikelen overgelegd. Volgens appellant blijkt hieruit dat de algemene veiligheidssituatie sinds het verschijnen van het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van februari 2006 (hierna: het ambtsbericht van februari 2006) zodanig is verslechterd dat opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Afghanistan moet worden gevoerd. Aldus is niet in geschil dat de minister in de algemene veiligheidssituatie zoals die zich heeft ontwikkeld in de periode tussen het eerdere besluit en het uitbrengen van het ambtsbericht van februari 2006 geen aanleiding heeft hoeven zien een categoriaal beschermingsbeleid te voeren. [..] De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de door appellant overgelegde stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden opleveren, omdat deze onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat de informatie in het ambtsbericht van februari 2006, waarop de minister zijn beslissing om geen beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers uit Afghanistan te voeren heeft gebaseerd, niet langer actueel is. [..] Uit het ambtsbericht van februari 2006, dat de periode van juli tot en met december 2005 beslaat, blijkt dat in Afghanistan sprake is van een zich verslechterende algemene veiligheidssituatie, waarbij is vermeld dat, sinds de omverwerping van het Taliban-regime in 2001, het jaar 2005 het meest gewelddadig is geweest. Nu, volgens de hiervoor onder 2.5. tot en met 2.5.3. weergegeven passages uit de door appellant overgelegde stukken, de verslechtering van de veiligheidssituatie zich in 2006 in versterkte mate heeft voortgezet, heeft de voorzieningenrechter, door te overwegen zoals hiervoor onder 2.4. weergegeven, ten onrechte op voorhand uitgesloten geacht dat die informatie voor het beleid van de minister relevantie mist en aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust kan afdoen. Derhalve slagen de grieven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 268 met annotatie van H. Battjes, B. van Melle
JV 2007/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609124/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[apellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/57787 en 06/57789 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 december 2006 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 en 2 klaagt appellant onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de door appellant overgelegde stukken inzake de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) behelzen, zodat de minister de aanvraag onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit heeft kunnen afwijzen. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet op voorhand is uitgesloten dat die stukken aan het eerdere besluit kunnen afdoen.

2.2. Appellant heeft bij zijn herhaalde aanvraag onder meer een brief van Amnesty International, Afdeling Nederland, aan de minister van 26 juni 2006, rapporten van de Secretary-General van de United Nations General Assembly Security Council van 7 maart en 11 september 2006, een rapport van Human Rights Watch van juli 2006 en verschillende krantenartikelen overgelegd. Volgens appellant blijkt hieruit dat de algemene veiligheidssituatie sinds het verschijnen van het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van februari 2006 (hierna: het ambtsbericht van februari 2006) zodanig is verslechterd dat opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Afghanistan moet worden gevoerd. Aldus is niet in geschil dat de minister in de algemene veiligheidssituatie zoals die zich heeft ontwikkeld in de periode tussen het eerdere besluit en het uitbrengen van het ambtsbericht van februari 2006 geen aanleiding heeft hoeven zien een categoriaal beschermingsbeleid te voeren.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2003, in zaak no. 200206882/1, JV 2003/219), moet de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.4. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de door appellant overgelegde stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden opleveren, omdat deze onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat de informatie in het ambtsbericht van februari 2006, waarop de minister zijn beslissing om geen beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers uit Afghanistan te voeren heeft gebaseerd, niet langer actueel is.

2.5. De door appellant bij zijn herhaalde aanvraag overgelegde brief van Amnesty International, Afdeling Nederland, aan de minister van 26 juni 2006, verwijst op pagina 3 onder meer naar de volgende passage uit een verslag van het United Nations World Food Programme over de periode van 1 tot 13 juni 2006.

"The general security situation in Afghanistan remained volatile and has deteriorated in some provinces previously regarded as stable. Incidents include shooting of aid workers, terrorist activities, kidnapping threats, burning of schools as well as of WFP property. (…) The effects on WFP activity include decision tot halve the number of WFP international staff in Kandahar as well as suspended road missions throughout many areas in the country."

2.5.1. Het rapport van de Secretary-General van de United Nations General Assembly Security Council van 7 maart 2006 vermeldt op pagina 10 onder meer het volgende.

"Perhaps of greatest concern is the steep rise in the number of suicide bombings. Prior to 2005, there had been only five cases in the three preceding years. In 2005, there were 17. By 23 February 2006, the annual total for 2006 already stood at 11. This represents 65 per cent of the 2005 total in a two-month period. The lethality of these attacks has also grown. In 2006, the average number of victims per attack was 11, up from 5.4 in 2005. (…)

The first months of 2006 witnessed a rising level of insurgent attacks, in particular in the south and east of the country. Indeed, the number of anti-Government elements-related incidents has grown, unabated since 2003. Of particular note is that the frequency of such attacks during the latter half of 2005 and the start 2006 (200 per month) was higher than during any of the previous reporting periods, including the presidential elections of 2004. Over the past six months, the incidence of successful improvised explosive device attacks compared with the previous half year has increased by over 50 per cent. Anti-Government elements also appear to have expanded their theatre of operations into traditionally calmer areas of the west, north and north-east of the country".

2.5.2. Het rapport van Human Rights Watch van juli 2006 vermeldt op pagina 18 en 22 onder meer het volgende.

"Direct insecurity increased sharply in Afghanistan in 2005 and early 2006. The first half of 2006 (January to June) witnessed the greatest number of conflict-related deaths in Afghanistan since the fall of the Taliban, with nearly 1,000 people, both civilians and combatants, killed in conflict-related incidents in the first six months of the year. This fatality rate is markedly higher than the previous rate of 1,600 people who died in conflict-related violence in 2005, according to the Afghan NGO Security Office (ANSO).(…)

In past years, opposition attacks decreased markedly during the winter months, when cold weather hampered movement, particularly across the mountainous border to Pakistan. In 2006, the attacks have continued at an ever higher pace and intensity."

2.5.3. Voorts is op pagina 1 en 2 van het rapport van de Secretary-General van de United Nations General Assembly Security Council van 11 september 2006 onder meer het volgende weergegeven.

"Since my previous report (…), the most significant development in Afghanistan has been the upsurge in violence, particularly in the south, south-east and east of the country. Security has, once again, become the paramount concern of a majority of Afghans. It is estimated that over 2,000 people, at least one third of them civilians, have lost their lives in the fighting since the start of 2006. This represents a three- to four-fould increase in the rate of casualties compared tot 2005. The number of security incidents involving anti-Government elements has increased from fewer than 300 per month at the end of March 2006 to close to 500 per month subsequently.(…)

While previous reporting periods have been marked by progressive and significant deteriorations in the security situation, the recent upsurge of violence represents a watershed. At no time since the fall of the Taliban in late 2001 has the threat to Afghanistan's transition been so severe."

2.6. Uit het ambtsbericht van februari 2006, dat de periode van juli tot en met december 2005 beslaat, blijkt dat in Afghanistan sprake is van een zich verslechterende algemene veiligheidssituatie, waarbij is vermeld dat, sinds de omverwerping van het Taliban-regime in 2001, het jaar 2005 het meest gewelddadig is geweest. Nu, volgens de hiervoor onder 2.5. tot en met 2.5.3. weergegeven passages uit de door appellant overgelegde stukken, de verslechtering van de veiligheidssituatie zich in 2006 in versterkte mate heeft voortgezet, heeft de voorzieningenrechter, door te overwegen zoals hiervoor onder 2.4. weergegeven, ten onrechte op voorhand uitgesloten geacht dat die informatie voor het beleid van de minister relevantie mist en aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust kan afdoen.

Derhalve slagen de grieven.

2.7. Grief 3 mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

2.8. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 24 november 2006 alsnog gegrond verklaren. Aangezien, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.6. is overwogen, de door appellant overgelegde stukken in elk geval deels nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betreffen, heeft de minister ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, zodat het besluit van24 november 2006 eveneens voor vernietiging in aanmerking komt. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 december 2006 in zaak no. AWB 06/57787;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 24 november 2006, kenmerk 0109.19.4038;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Prins

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007

363

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak