Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
200700937/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsgrond niet besproken / 8:69 lid 1 Awb

Deze door appellante naar voren gebrachte beroepsgrond, die betrekking heeft op de voortvarendheid waarmee aan haar uitzetting wordt gewerkt, heeft de rechtbank onbesproken gelaten. Aldus heeft de rechtbank, in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet mede op grondslag van het verhandelde ter zitting uitspraak gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700937/1.

Datum uitspraak: 7 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/2204 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 31 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2007 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt appellante dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebrachte argumenten met betrekking tot de voortgang van de uitzetting.

2.2. De grief slaagt. Naar aanleiding van de door appellante aangevoerde beroepsgronden heeft de rechtbank zich beperkt tot een oordeel over de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 24 januari 2007 heeft appellante aangevoerd dat zij informatie over haar, naar zij stelt rechtmatig, verblijf in België op 16 en 17 januari 2007 en op 19 januari 2007 per faxbericht heeft verzonden aan respectievelijk de Koninklijke Marechaussee en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) en dat overdracht naar België snel zou kunnen. Deze door appellante naar voren gebrachte beroepsgrond, die betrekking heeft op de voortvarendheid waarmee aan haar uitzetting wordt gewerkt, heeft de rechtbank onbesproken gelaten. Aldus heeft de rechtbank, in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet mede op grondslag van het verhandelde ter zitting uitspraak gedaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.4. Dat de minister naar aanleiding van de hiervoor bedoelde, aan de Koninklijke Marechaussee en de IND, verzonden faxberichten ter zitting geen mededeling kon doen over de voortgang van de uitzetting, biedt, gelet op de korte tijdsperiode gelegen tussen het verzenden van die faxberichten en de behandeling van het beroep ter zitting op 24 januari 2007, vooralsnog geen grond voor het oordeel dat niet met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting wordt gewerkt. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de minister ter zitting heeft medegedeeld dat, indien blijkt dat België het aangewezen land is om appellante naar uit te zetten, spoedige uitzetting kan plaatsvinden.

2.5. De Afdeling zal het beroep van appellante tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 31 januari 2007 in

zaak no. AWB 07/2204;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. D. Roemers, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007

345

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak