Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200606247/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2003 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) de aan [wederpartij] op grond van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 (hierna: de IPR 2000) verleende investeringspremie verlaagd vastgesteld op ƒ 857.248,50 (€ 389.002,41).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606247/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, gevestigd te Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/453 van de rechtbank Groningen van 12 juli 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2003 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) de aan [wederpartij] op grond van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 (hierna: de IPR 2000) verleende investeringspremie verlaagd vastgesteld op ƒ 857.248,50 (€ 389.002,41).

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en, voor zover thans van belang, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2007, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.E. van der Heijden en drs. C. van Rosendal, beiden in dienst bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, en [wederpartij], vertegenwoordigd door J. Vermeer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de IPR 2000 wordt, voor zover thans van belang, onder een project verstaan: een technisch, functioneel en in tijd samenhangend geheel van investeringen in bedrijfsuitrusting.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de IPR 2000 wordt, voor zover thans van belang, onder een uitbreidingsproject verstaan: een project dat de uitbreiding van de capaciteit van een stuwende onderneming omvat.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de IPR 2000, voor zover thans van belang, kan premie worden verleend aan de ondernemer die een uitbreidingsproject uitvoert.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000, voor zover thans van belang, omvatten de premiabele kosten, onverminderd artikel 10, de kosten van verwerving van duurzame bedrijfsuitrusting voor zover deze permanent op de bedrijfslocatie aanwezig is.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000, voor zover thans van belang, geldt de koopsom als premiabele kosten van verwerving van duurzame bedrijfsuitrusting.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de IPR 2000, voor zover thans van belang, worden premiabele kosten rechtevenredig verlaagd, indien gedurende het tijdvak tussen één jaar voor de indiening van de aanvraag en een jaar na de indiening van de aanvraag tot vaststelling van de premie binnen de onderneming van de premieontvanger duurzame bedrijfsuitrusting buiten gebruik is gesteld.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, wordt de in het eerste lid bedoelde verlaging berekend op basis van de capaciteit die buiten gebruik wordt gesteld in verhouding tot de capaciteit na uitvoering van het project.

2.1.1.    Blijkens de artikelsgewijze toelichting op de IPR 2000, voor zover thans van belang, heeft artikel 10 met name betrekking op een aantal situaties waarin gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig met de uitvoering van het project desinvesteringen plaatsvinden, bijvoorbeeld door het afstoten of buitengebruikstellen van bestaande productiecapaciteit bij realisering van nieuwe, gepremieerde productiecapaciteit. Het positieve effect van de premie voor de regionale economie wordt als gevolg van die desinvestering per saldo minder. Omdat dergelijke desinvesteringen daarmee afbreuk doen aan het doel van de regeling, worden de premiabele kosten zodanig verminderd dat het premiebedrag meer in overeenstemming is met het netto effect van de investering.

2.2.    Bij besluit van 25 oktober 2000 heeft de bestuurscommissie economische zaken van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland aan [wederpartij] op grond van zijn op 3 augustus 2000 ingediende subsidieaanvraag een maximale investeringspremie verleend van € 544.536,00, voor een uitbreidingsproject in de zin van de IPR 2000, bestaande uit investeringen in een kleurenpers met laktoren, een stansmachine, een vouwplakmachine en een foliepreegmachine.

   In zijn besluit van 25 september 2003 tot vaststelling van de investeringspremie heeft het dagelijks bestuur overwogen dat, voor zover thans van belang, [wederpartij] naar aanleiding van de gepremieerde investering in een nieuwe stansmachine met een capaciteit van 8.000 vellen per uur een bestaande stansmachine met een capaciteit van 6.000 vellen per uur buiten gebruik heeft gesteld. Daarom heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 10, eerste en vijfde lid, van de IPR 2000 een correctie toegepast op de subsidiegrondslag van 6.000/8.000 x ƒ 1.541.028,00 (€ 699.288,02), zijnde ƒ 1.155.771,00 (€ 524.466,01). Verder is premie verleend en vastgesteld voor de ombouw van voormelde bestaande stansmachine tot foliepreegmachine. Voor een nieuwe foliepreegmachine is geen premie vastgesteld, omdat die niet door [wederpartij] is aangeschaft.

   In bezwaar heeft het dagelijks bestuur dit besluit, onder overneming van het advies van 12 februari 2004 van de externe adviescommissie voor de behandeling van bezwaren tegen beschikkingen, gehandhaafd.

2.3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat [wederpartij] de bestaande stansmachine met een capaciteit van 6000 vellen per uur niet langer gebruikt als stansmachine, maar als foliepreegmachine met een capaciteit van 6000 vellen per uur. Zij heeft overwogen dat het dagelijks bestuur alleen de kosten van het ombouwen van die stansmachine tot foliepreegmachine premiabel heeft geacht en de waarde die de machine voor het overige vertegenwoordigd buiten de premiabele kosten heeft gehouden, terwijl het ten aanzien van het stansen is uitgegaan van het buiten gebruik stellen van die machine. Dit resultaat is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met de toelichting op artikel 10 van de IPR 2000. Zij is van oordeel dat het netto effect van de totale investering van [wederpartij] niet is verminderd doordat de capaciteit van die machine van 6000 vellen per uur niet wordt ingezet voor stansen maar voor foliepregen als nieuwe activiteit. Door de wijze waarop het dagelijks bestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10 van de IPR 2000 heeft het dagelijks bestuur, naar het oordeel van de rechtbank, niet gehandeld overeenkomstig de bedoeling en de strekking van die regeling.

2.4.    Het dagelijks bestuur bestrijdt dit oordeel en voert in dit verband - voor zover thans van belang en verkort weergegeven - aan dat artikel 10 in het leven is geroepen voor de situatie waarin duurzame bedrijfsmiddelen buiten gebruik worden gesteld, bijvoorbeeld bij vervanging van een machine en dat de achtergrond van dit artikel is dat alleen voor de netto-uitbreiding premie verleend wordt. Het dagelijks bestuur stelt de IPR 2000 juist te hebben toegepast, nu de stanscapaciteit van [wederpartij] niet met 8000 vellen per uur maar slechts met 2000 vellen per uur is toegenomen.

2.5.    Dit betoog faalt. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat blijkens het besluit van 25 oktober 2000 de investeringen, waarvoor de premie is verleend, zijn gericht op uitbreiding van de productiecapaciteit van bedrukt vouwkarton voor consumentenverpakkingen. Naar [wederpartij] ter zitting - onweersproken - heeft gesteld, staan zowel de nieuwe als de tot foliepreegmachine omgebouwde oude stansmachine op de productieafdeling stansen van het bedrijf en levert foliepregen van karton eenzelfde soort product op als het stansen daarvan. Naar het oordeel van de Afdeling kan onder die omstandigheden niet worden volgehouden dat geen uitbreiding van de capaciteit van [wederpartij] met netto 8000 vel voor het bedrukken van vouwkarton heeft plaatsgevonden of dat niet is voldaan aan voormelde doelstelling van de premieverlening. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit artikel 10, eerste lid, van de IPR 2000, noch uit de toelichting daarop, volgt dat de term 'buiten gebruik stellen' in die bepaling zo beperkt moet worden uitgelegd als het dagelijks bestuur heeft gedaan.

   Gezien het voorgaande heeft het dagelijks bestuur in dit geval niet in redelijkheid de investeringspremie verlaagd kunnen vaststellen op de grond dat duurzame bedrijfsuitrusting buiten gebruik is gesteld. De rechtbank is, zij het deels op ander gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bindels

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

85-507.