Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200510541/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft verweerder de controle van de besteding van de subsidie in het kader van de Regeling saneringsprogramma Verkeerslawaai voor het project gevelisolatie Julianaplein, Beatrixstraat te Den Helder afgesloten en van appellant een bedrag van € 135.015,67 euro teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510541/1

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het algemeen bestuur van het Gewest Kop van Noord-Holland,

appellant,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft verweerder de controle van de besteding van de subsidie in het kader van de Regeling saneringsprogramma Verkeerslawaai voor het project gevelisolatie Julianaplein, Beatrixstraat te Den Helder afgesloten en van appellant een bedrag van € 135.015,67 euro teruggevorderd.

Bij besluit van 21 november 2005 heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 januari 2006.

Bij brief van 17 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij nieuw besluit van 15 november 2006 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, en het besluit van 31 mei 2005 gewijzigd in die zin dat het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 118.094,41. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep geacht tegen het nieuwe besluit gericht te zijn.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van beide partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door P. Wildschut, ambtenaar van het Gewest Kop van Noord-Holland, P. Mulder, ambtenaar van de gemeente Den Helder, C. Wagenaar, deskundige, en E. de Bruijn, deskundige, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup en mr. B. Venneman, ambtenaren van het Ministerie, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van partijen zijn na de zitting nog stukken ingebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Overeenkomstig artikel 90, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder is de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege een weg op de gevels van woningen gelegen aan het Julianaplein te Den Helder vastgesteld door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Daarbij zijn tevens, overeenkomstig het vijfde lid van artikel 90 van de Wet geluidhinder, maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de weg, binnen de woningen.

   Na de vaststelling van de maatregelen doch voordat met de uitvoering van de maatregelen een aanvang werd gemaakt heeft een reconstructie van de nabij de woningen gelegen Beatrixstraat plaatsgevonden, met het gevolg dat de geluidsbelasting op de gevels is afgenomen.

   Niet in geschil is dat bij de vaststelling van de noodzaak en de aard van de maatregelen uitgegaan had moeten worden van de nieuwe geluidsbelasting op de gevels. Voorafgaand aan de sanering heeft evenwel geen hernieuwde meting en berekening van de geluidsbelasting plaatsgevonden. Daarom hebben achteraf berekeningen van de geluidsbelasting binnen de woningen plaatsgevonden mede op basis van de na de reconstructie gemeten geluidsbelasting op de gevels.

2.3.    Volgens appellant heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat voorafgaande aan de sanering de geluidsbelasting van de woningen met huisnummers 47, 49, 51, 55, 65 en 69 in geen enkel vertrek de 45 dB(A) te boven ging, en dat dientengevolge de sanering van deze woningen niet doelmatig en niet conform de wettelijke bepalingen is uitgevoerd, waardoor de kosten niet ten laste van het budget voor sanering verkeerslawaai gebracht konden worden.

2.4.    Ter zitting heeft verweerder betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betreft de woningen met huisnummers 51 en 69, omdat deze woningen niet in de bezwaarprocedure zijn genoemd.

   De Afdeling overweegt dienaangaande dat er samenhang is tussen hetgeen in bezwaar en in beroep is aangevoerd. Verder heeft verweerder de genoemde woningen ook in de bezwaarfase van deze procedure in zijn beslissing betrokken. Niet kan niet worden geoordeeld, dat appellant in beroep met geheel nieuwe gronden komt. Derhalve behoeft niet te worden ingegaan op de vraag onder welke omstandigheden voor een beperking ten aanzien van het aanvoeren van nieuwe beroepsgronden grond bestaat.

2.5.    Verweerder heeft volgens appellant in het besluit op bezwaar van 15 november 2006 het subsidiabele bedrag voor de woning met huisnummer 59 onjuist vastgesteld.

2.5.1.    Het door verweerder in zijn besluit van 15 november 2006 vastgestelde bedrag is overeenkomstig het bedrag dat appellant in zijn bezwaar voor deze woning heeft opgevoerd. Verder is het vastgestelde bedrag hoger dan het in beroep door appellant verlangde bedrag. Niet is gebleken dat appellant in zoverre processueel belang heeft bij beoordeling van het bestreden besluit op dit punt. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.6.    Appellant stelt dat bij het vaststellen van het terug te vorderen bedrag geen rekening is gehouden met de door appellant bij de besteding van de subsidiegelden betaalde BTW.

2.6.1.    Uit de stukken blijkt dat verweerder ten behoeve van door appellant uit te voeren saneringsmaatregelen aan woningen in geluidzones, een budget beschikbaar heeft gesteld. Na het overleggen van de jaarverantwoording over het uitgegeven bedrag, heeft verweerder het bedrag van de subsidie vastgesteld, onder voorbehoud van onderzoek naar de besteding van de subsidie. Teruggevorderd wordt de uitgekeerde subsidie, voor zover deze niet overeenkomstig de gestelde voorschriften zou zijn besteed, en daarom onverschuldigd zou zijn betaald. Er is geen bepaling die zich hiertegen verzet. De omstandigheid dat een deel van de kosten van ten onrechte gesaneerde woningen middels betaling van BTW in de staatskas is gevloeid, maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.7.    Ten aanzien van zijn beroep met betrekking tot de woningen met de nummers 47, 49, 51, 55 en 69 brengt appellant naar voren dat de belasting van de gevel van de woningen de 67 dB(A) overschrijdt. Gelet op de toelichting bij artikel 8c van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer (hierna Subsidiebesluit) kan er volgens hem in dat geval van uit worden gegaan dat de geluidswaarden binnen de woning de 45 dB(A) overschrijden.

2.7.1.    Ingevolge artikel 8c, eerste lid, sub b, onder 1, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer komen geluidwerende maatregelen in aanmerking voor subsidie voor zover zij worden getroffen ten behoeve van een woning waarvan ten minste één geluidsgevoelige ruimte een geluidsbelasting ondervindt van meer dan 45 dB(A).

2.7.2.    Verweerder betoogt dat het standpunt van appellant volgens de toelichting alleen geldt indien er geen dubbel glas of andere voorzieningen zijn aangebracht, waarmee volgens verweerder wordt gedoeld op de woning als geheel. Volgens verweerder waren in de onderhavige woningen alle kamers op één na voorzien van dubbel glas. Dit is niet weersproken door appellant.

2.7.3.    De Afdeling constateert dat de toelichting ervan uitgaat dat indien een woning een geluidsbelasting van meer dan 67 dB(A) (ongecorrigeerd) ondervindt, ervan kan worden uitgegaan, dat de binnenwaarden de 45 dB(A) overschrijden en dat indien dubbel glas is aangebracht, nagegaan moet worden of de 45 dB(A) al dan niet wordt overschreden. Nu naar moet worden aangenomen de meest in aanmerking komende ruimten van de desbetreffende woningen zijn voorzien van dubbel glas, heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat uit de geluidbelasting op de gevels van de desbetreffende woningen niet kan worden afgeleid, dat de binnenwaarden in de woningen hoger zijn dan 45 dB(A). Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.8.    Appellant voert voorts aan dat verweerder ten onrechte stelt dat appellant bij de berekeningen had moeten uitgaan van de situatie waarin de kieren dicht zijn, en dat hij de situatie slechter voorstelt dan zij is, omdat hij zowel niet afgedekte kieren als een opening in de gevel (een "open gat") ter compensatie van afwezigheid van ventilatieopeningen in de berekeningen heeft opgenomen. Volgens appellant dient de invloed van naden en kieren los van invloed van de ventilatieopeningen te worden gezien. Appellant beroept zich daarbij op vraag en antwoord 12.3 uit de Informatiemap sanering verkeerslawaai van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

2.8.1.    Voorschrift 1.5 van bijlage 1 van het Meet- en rekenvoorschrift geluidbelasting binnen gebouwen bepaalt dat indien door een aanwezige gevel, anders dan door het openen van ramen, ventilatie kan plaatsvinden, zoals door kieren, ventilatieroosters of ventilatieklepjes, de geluidwering bepaald wordt voor de situatie dat desbetreffende ventilatie-openingen zijn gesloten en afgedicht. Ter compensatie wordt een opening in de gevel in rekening gebracht ter grootte van de helft van de volgens de bouwverordening te bepalen ventilatie-opening in de gevel, met een geluidisolatiewaarde van 0 dB(A) voor het netto oppervlak van de opening.

2.8.2.    De Afdeling verstaat dit voorschrift aldus dat de term ventilatie-openingen betrekking heeft op alle openingen waardoor feitelijk ventilatie kan plaatsvinden, waaronder naden en kieren. De Afdeling overweegt voorts dat weliswaar in vraag en antwoord 12.3 in de Informatiemap wordt voorgesteld het afdichten van naden en kieren, voor zover er geen licht doorheen schijnt, achterwege te laten, maar dat ook wordt aangegeven dat bij de berekening van de geluidsbelasting dient te worden uitgegaan van de situatie dat de ventilatieopeningen zijn afgedicht, en dat de gevel dus wordt verondersteld zonder naden of kieren te zijn. Dit dient volgens de vraag en het antwoord te worden berekend aan de hand van de kierdichtingsterm. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt kunnen stellen dat appellant de situatie had moeten berekenen waarin de naden en kieren zijn afgedicht alvorens een open gat in de berekening te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.9.    Appellant brengt voorts naar voren dat de maatgevende ruimten in de woningen met huisnummers 47, 49, 51, 55 en 69 akoestisch gelijkwaardig zijn aan de maatgevende ruimten in de nummers 53 en 71. Volgens appellant heeft verweerder dan ook ten onrechte gesteld dat appellant voor de berekening van het binnenniveau van de geluidswaarde voor de nummers 47, 49 en 55 niet mocht uitgaan van de metingen die voor de nummers 53 en 71 waren verricht. Ter zitting heeft appellant verwezen naar op basis van metingen opgestelde berekeningen.

2.9.1.    Verweerder stelt dat voor nummer 53 geen meetgegevens zijn geleverd. Voor nummer 71 zijn meetgegevens beschikbaar, maar verweerder bestrijdt dat sprake is van akoestisch gelijkwaardige ruimten. Volgens hem zijn er verschillen in de soort ramen, in het volume van de kamers en in de lengte van de kieren en naden. Het verschil in lengte van kieren en naden is volgens verweerder maatgevend als de kieren en naden op bovenmatige wijze bijdragen aan de geluidsbelasting binnen de woning. Dat zou in de onderhavige woning het geval zijn, omdat het verschil tussen de berekende en de gemeten waarde in de maatgevende ruimte de toegestane bandbreedte te boven gaat, hetgeen er volgens verweerder op wijst dat sprake was van bijzondere omstandigheden.

2.9.2.    Uit de berekeningen en gegevens waar appellant ter zitting naar heeft verwezen blijkt dat in de woning met nummer 47 de geluidsbelasting niet hoger is dan 45 dB(A). Niet is gebleken van gegevens die tot een andere conclusie kunnen leiden. Het beroep is daarom in zoverre ongegrond.

   Met betrekking tot de woningen met nummers 49, 51, 55 en 69 overweegt de Afdeling dat uit de stukken en ter zitting is gebleken, dat verweerder zijn opvatting dat zij niet akoestisch gelijkwaardig zijn aan woning nummer 71 voor een belangrijk deel motiveert met de stelling dat het verschil tussen het meetresultaat en het berekeningsresultaat bij woning nummer 71 groter is dan de toegestane bandbreedte. Appellant stelt terecht dat niet is duidelijk gemaakt op welke regelgeving deze stelling berust, noch waarop zij anderszins is gebaseerd. Het besluit is in zoverre, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet deugdelijk gemotiveerd.

2.9.3.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit van 15 november 2006 dient te worden vernietigd voor zover het betrekking heeft op de woningen met de huisnummers 49, 51, 55 en 69.

2.10.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft het besluit met betrekking tot de woning met huisnummer 59;

II.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 november 2006, kenmerk LMV 2006318745, voor zover het betrekking heeft op de woningen nummers 49, 51, 55 en 69;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

191-539.