Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200605843/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2004 heeft appellant (hierna: het college) aan [belanghebbende] voor een periode van maximaal twee jaar ontheffing verleend van de verplichting tot het door hem persoonlijk innemen van zijn standplaats op de weekmarkt te Oegstgeest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605843/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaak nos. AWB 05/7565 en 05/7566 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2004 heeft appellant (hierna: het college) aan [belanghebbende] voor een periode van maximaal twee jaar ontheffing verleend van de verplichting tot het door hem persoonlijk innemen van zijn standplaats op de weekmarkt te Oegstgeest.

Bij besluit van 7 december 2004 heeft het college het door [wederpartij] gedane verzoek om handhaving van de hiervoor genoemde verplichting afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2005 heeft het college de door [wederpartij] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het verzoek van [wederpartij] om intrekking van de marktvergunning van [belanghebbende] en toekenning van een vaste standplaats aan hemzelf afgewezen.

Bij uitspraak van 29 juni 2006, verzonden op 30 juni 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven en het college veroordeeld in de proceskosten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Bij brief van 16 januari 2007 heeft [wederpartij] een nader stuk ingediend. Dit stuk is in kopie aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2007, waar  het college, vertegenwoordigd door M.J. de Jongh, en [wederpartij], vertegenwoordigd door drs. G. [gemachtigde]  , zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

   In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, voor zover thans van belang, is bepaald dat ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, het bedrag daarvan bij de uitspraak wordt vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

   Ingevolge het derde lid van artikel 2 van het Bpb kan in bijzondere gevallen van het eerste lid worden afgeweken.

2.2.    Het hoger beroep van het college richt zich uitsluitend tegen de door de voorzieningenrechter uitgesproken proceskostenveroordeling. Allereerst heeft de voorzieningenrechter volgens het college ten onrechte geoordeeld dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Hiertoe voert het college onder meer aan dat de gemachtigde van [wederpartij] geen juridische opleiding heeft gevolgd en heeft gehandeld als werknemer van Market Food Group B.V. (hierna: MFG), de franchisegever van [wederpartij], zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

   Daarnaast is het college van mening dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb.

2.3.    Ter zitting van de Afdeling is gebleken dat [gemachtigde], de gemachtigde van [wederpartij], ten tijde hier van belang in volledig dienstverband was bij MFG als financial controller en juridisch adviseur. Als onderdeel van zijn takenpakket adviseerde hij in deze functie franchisenemers van MFG. Daarnaast is [gemachtigde] vennoot van [Juridisch Adviesbureau]. De cliënten van het adviesbureau zijn voor 90 procent franchisenemers van MFG. Werkzaamheden voor het adviesbureau verrichtte [gemachtigde] in diensttijd en ten kantore van MFG.

Ter zitting heeft [gemachtigde] verklaard dat hij afhankelijk van de aard van de zaak zijn advieswerkzaamheden verrichtte als werknemer van MFG of als vennoot van het adviesbureau. Indien een zaak gevolgen had voor de omzet van MFG zoals het verkrijgen van een standplaatsvergunning nam MFG de kosten voor haar rekening en adviseerde [gemachtigde] in dienst van MFG. In ongeveer de helft van de zaken was dit naar zijn zeggen het geval. Vooraf werden hierover afspraken gemaakt.

   Bij iedere procedure afzonderlijk zal dienen te worden bezien of rechtskundige bijstand door [gemachtigde] is verleend in zijn hoedanigheid van vennoot van het adviesbureau en om die reden, mits aan de overige hiervoor geldende voorwaarden is voldaan, kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. In dit geval is een procedure gevoerd met als doel ten behoeve van [wederpartij] een standplaats op de weekmarkt te Oegstgeest te verkrijgen. Gelet hierop betreft het een zaak die gevolgen heeft voor de omzet van MFG als franchisegever van [wederpartij]. Nu [gemachtigde] slechts een urenstaat en geen van zijn adviesbureau afkomstige facturen, betalingsbewijzen of andere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij [wederpartij] voor eigen rekening heeft bijgestaan, heeft hij onvoldoende aangetoond, hetgeen eenvoudig had gekund, dat de kosten van rechtsbijstand in afwijking van de door hem geschetste kostenverdeling met MFG ook daadwerkelijk aan [wederpartij] zijn gedeclareerd en door [wederpartij] zijn voldaan. De Afdeling acht daarom niet aannemelijk dat in dit geval door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

2.4.    Reeds hierom is het hoger beroep gegrond. Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het college hierbij is veroordeeld in de proceskosten.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2006 in de zaken nos. AWB 05/7565 en 05/7566, voor zover hierbij het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest is veroordeeld in de proceskosten.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007.

176