Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200604956/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antennemast voor mobiele telefonie op het perceel Spölminkkamp 40 te Lonneker (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 40
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/908
JOM 2007/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604956/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Enschede,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/646 en 06/647 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 12 juni 2006 in het geding tussen:

Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen, gevestigd dan wel wonend te Lonneker, gemeente Enschede,

en

appellant

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antennemast voor mobiele telefonie op het perceel Spölminkkamp 40 te Lonneker (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 april 2006 heeft het college, voor zover hier van belang, de daartegen door de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen door de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 4 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Vodafone Libertel N.V. is in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen, van welke gelegenheid zij heeft gebruik gemaakt.

Bij brief van 19 september 2006 heeft de Stichting Dorpsraad Lonneker van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Westerterp, ambtenaar van de gemeente, en de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen, vertegenwoordigd door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Enschede, zijn verschenen. Voorts is Vodafone Libertel N.V. daar, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Thomissen, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op het oprichten van een antennemast met een hoogte van 37,5 m met daarin aangebracht GSM-antennes, een techniekkast en een K1-kast op het perceel alsmede een hekwerk om de antennemast met een hoogte van 2,5 m.

2.2.    Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen lichte bouwvergunning kon verlenen omdat voor het bouwplan een reguliere bouwvergunning vereist is. Daartoe voert het college aan dat de omstandigheid dat een lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een antenne-installatie en een hekwerk, waarvoor voor elk van de bouwwerken een lichte bouwvergunning is vereist, niet betekent dat een reguliere bouwvergunning vereist is.

2.2.1.    De voorzieningenrechter is er terecht vanuit gegaan dat het splitsen van een aanvraag om bouwvergunning in verschillende onderdelen in de regel niet mogelijk is. Dit betekent echter niet dat het college niet zowel de aangevraagde antennemast als het aangevraagde hekwerk als licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken heeft kunnen aanmerken. Gelet op de Nota van Toelichting bij het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) (Staatsblad 2002, 410, blz. 23), valt niet in te zien dat voor het bouwplan, dat bestaat uit het oprichten van twee afzonderlijke bouwwerken die op zichzelf licht-bouwvergunningplichtig zijn, een reguliere bouwvergunning vereist is. Het betoog slaagt.

2.3.    Voorts betoogt het college dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de antenne-installatie niet is gelegen in de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro). Daartoe voert het college aan dat het perceel gelet op de ligging tegen de dorpskern aan tot de bebouwde kom behoort.

2.3.1.    De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sportpark Lonneker" (hierna: het bestemmingsplan).

2.3.2.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking: een bouwwerk, geen gebouw zijnde waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m² en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking: een antenne-installatie als bedoeld in het Bblb, in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 m.

2.3.3.    De voorzieningenrechter heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002 in zaak no. 200103657/1 (AB 2003, 415) terecht overwogen dat de vraag of het perceel in de bebouwde kom is gelegen een vraag van feitelijke aard is en niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft bepalend is, doch de aard van de omgeving. Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. Aan hetgeen in het door het gemeentebestuur opgestelde beleid betreffende de randvoorwaarden bij plaatsing van zend- en antenne-installaties en het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" is vermeld, kan hier dan ook geen betekenis worden toegekend.

   Uit de stukken, waaronder de door het college overgelegde foto's, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan niet nabij woonbebouwing is voorzien, maar slechts in de buurt van drie gebouwen, die ten dienste van sport staan. De voorzieningenrechter heeft derhalve, met name gelet op de beschrijving van het onderzoek ter plaatse, terecht geoordeeld dat het bouwplan niet is voorzien in de bebouwde kom. Dat het bouwplan nabij sportvelden is voorzien, en dat deze sportvelden dienen als voorziening voor de bewoners van het nabijgelegen dorp Lonneker, is daartoe onvoldoende. De vergelijking met de door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2005 in zaak no. 200501081/1 treft geen doel. Anders dan het perceel dat in die zaak aan de orde was, is het bouwplan niet (nagenoeg) tegen de dorpskern aan gelegen en ook niet aan een weg met aan weerszijden woonbebouwing voorzien.

2.4.    Het college betoogt tot slot dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het advies van de welstandscommissie "Het Oversticht" (hierna: de welstandscommissie) niet zonder nadere motivering aan zijn besluit om bouwvergunning te verlenen ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe voert het college aan dat de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen dit advies niet gemotiveerd hebben bestreden.

2.4.1.    Het college heeft een positief advies van de welstandscommissie van 15 juni 2005 ten grondslag gelegd aan zijn besluit om bouwvergunning te verlenen. Dit advies betreft een stempeladvies. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het college, gelet hierop, in het besluit op bezwaar niet had mogen volstaan met de enkele verwijzing naar dit advies, nu enkele van de bezwaarmakers, met name [naam], te kennen hebben gegeven het oprichten van een antennemast op het perceel, gelet op de landelijke omgeving, esthetisch onverantwoord te vinden en daarmee voormeld advies van 15 juni 2005 gemotiveerd hebben bestreden. Anders dan het college betoogt, hebben de Stichting Dorpsraad en anderen zich daarmee niet gericht tegen de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bouwmogelijkheden.

   Voor zover het college betoogt dat enkel aan de zogeheten loketcriteria als bedoeld in artikel 7 van het Bblb getoetst had dienen te worden, faalt dit betoog reeds omdat deze criteria slechts zien op bouwen als bedoeld in artikel 4 van het Bblb. Het oprichten van een antennemast betreft echter bouwen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Bblb.

   Met de door het college overgelegde nadere motivering van 25 juli 2006 van de welstandscommissie van voormeld advies van 15 juni 2005 kan de Afdeling geen rekening houden, nu deze nadere motivering niet aan het besluit op bezwaar ten grondslag is gelegd.

2.5.    Het hoger beroep is, gelet op het onder 2.2.1. overwogene, gegrond. Nu het dictum juist is, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, met verbetering van gronden waarop deze rust. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waar deze op rust;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede tot vergoeding van bij de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Enschede aan de Stichting Dorpsraad Lonneker en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillesen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak                                 w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter                                     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

328-499.