Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200603906/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Oostelijke Vastgoed en Ontwikkelingsmaatschappij OVOM B.V." (hierna: OVOM), onder ontheffing van de bouwverordening, bouwvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkelruimte en parkeergelegenheid op het perceel, plaatselijk bekend Houthof 47 te Nijmegen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2007/873
ABkort 2007/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603906/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], (hierna: de VVE), wonend respectievelijk gevestigd te Nijmegen,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/1079 en 06/1654 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 8 mei 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Oostelijke Vastgoed en Ontwikkelingsmaatschappij OVOM B.V." (hierna: OVOM), onder ontheffing van de bouwverordening, bouwvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkelruimte en parkeergelegenheid op het perceel, plaatselijk bekend Houthof 47 te Nijmegen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, voor zover ingediend door de VVE, en de bezwaren ongegrond verklaard, voor zover ingediend door [twee van de appellanten].

Bij uitspraak van 8 mei 2006, verzonden op 22 mei 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 juni 2006, aangevuld bij brief van 21 juni 2006, heeft OVOM, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 13 december 2006 heeft het college OVOM vrijstelling verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkelruimte en parkeergelegenheid op het perceel. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en OVOM. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J.C. van der Heijden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is OVOM, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de bezwaren, voor zover ingediend door de VVE, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de VVE niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt bij het besluit tot het verlenen van bouwvergunning. Hiertoe voeren appellanten aan dat, nu het bouwplan het woongenot van de leden van de VVE aantast, het belang van alle leden van de VVE als zodanig in geding is en de VVE dan ook als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

2.1.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende - voor wie ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 bezwaar en beroep openstaat - verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2.    Het betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak no. 200507730/1 (AB 2006, 365) komt een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Blijkens artikel 30, derde lid, van het Splitsingsreglement stelt de VVE zich ten doel het behartigen van de gezamenlijke belangen van de eigenaars. Het gezamenlijke belang van haar leden waarvoor de VVE in de onderhavige procedure opkomt, is derhalve een belang dat zij, gelet op haar statutaire doelstelling in het bijzonder beoogt te behartigen. Gelet hierop en op de gevolgen die het bouwplan voor de woonomgeving van haar leden kan hebben, is het belang van de VVE rechtstreeks bij het besluit van 26 september 2005 betrokken. Zij dient dan ook te worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Awb bij het onderhavige besluit tot verlening van bouwvergunning.

2.2.    Het hoger beroep van appellanten is in zoverre gegrond. De Afdeling zal nu het hoger beroep beoordelen voor zover dit is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter betrekking hebbende op de door [twee van de appellanten] in beroep aangevoerde gronden.

2.3.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien:

   a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

   b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

   c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

   d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

   e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

2.3.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Stadscentrum kerngebied II" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Gemengde bebouwing" (GB) met de nadere aanduidingen 15/15.

   Ingevolge hoofdstuk I, sub c, onder 4, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder nokhoogte verstaan de hoogte van de nok of van het hoogste punt van het bouwwerk gemeten boven peil; schoorstenen, antennes en lucht- en liftkokers vallen hierbuiten.

   Ingevolge hoofdstuk I, sub c, onder 7a, van de planvoorschriften wordt onder peil verstaan voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang.

   Ingevolge hoofdstuk II, categorie 2, onder 3, sub c, van de planvoorschriften is de maximum goothoogte van de bebouwing vastgesteld op het aantal meters als op de kaart is aangegeven.

   Ingevolge hoofdstuk II, categorie 2, onder 3, sub d, van de planvoorschriften is de maximum nokhoogte van de bebouwing vastgesteld op het aantal meters als op de kaart is aangegeven.

2.4.    Het betoog van [twee van de appellanten] dat delen van het bestemmingsplan onverbindend dienen te worden verklaard, is een herhaling van hetgeen zij bij de voorzieningenrechter hebben aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om het bestemmingsplan of delen van het plan onverbindend te verklaren en hierbij terecht van belang geacht, dat het bestemmingsplan expliciet de onderhavige bebouwing ter plaatse mogelijk maakt en dat er objectief bepaalbare en concrete grenzen zijn gesteld aan het gebruik en de bebouwing van de gronden.

2.5.    Voorts betogen [twee van de appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat het college zich daarop bij het besluit tot verlening van bouwvergunning niet heeft mogen baseren. Hiertoe voeren zij aan dat uit het welstandsadvies niet blijkt of het bouwplan is beoordeeld in relatie tot de omgeving.

   Dit betoog faalt. Uit de stukken blijkt dat het bouwplan is getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota. In deze nota worden, op grond van artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, in ieder geval criteria opgenomen die het college toepast bij de beoordeling of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Nu het bouwplan voldoet aan de in deze nota opgenomen criteria, is hiermee tevens gegeven dat het bouwplan is beoordeeld in relatie tot de omgeving. Ook overigens is niet gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat het college zich daarop bij het besluit tot verlening van bouwvergunning niet heeft mogen baseren. De voorzieningenrechter is met juistheid tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6.    [twee van de appellanten] betogen verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht ontheffing heeft verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Nijmeegse Bouwverordening (hierna: de Bouwverordening). In dit verband betogen zij dat het college ten onrechte heeft nagelaten van OVOM een rendementsberekening te verlangen waaruit blijkt dat het realiseren van extra parkeerplaatsen op eigen terrein of aanpassing van het bouwplan niet mogelijk is.

2.6.1.    Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de omvang van een gebouw daartoe aanleiding geeft ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

   Ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

   a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

   b voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.6.2.    Ter zake van de toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening heeft het college beleidsregels vastgesteld (hierna: de beleidsregels). Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van deze beleidsregels dient, om in aanmerking te komen voor de ontheffingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid en onder a, van de Bouwverordening eerst te worden beoordeeld of een aanpassing van het bouwplan kan leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis.

Indien slechts aanpassingen mogelijk zijn die onevenredig hoge kosten met zich meebrengen wordt het belang van de bereikbaarheid en de leefbaarheid afgewogen ten opzichte van het belang van de realisatie van het bouwplan. Om bij twijfelgevallen te kunnen beoordelen of er sprake is van "onevenredig hoge kosten" dient de aanvrager een bouwvergunning via een rendementsberekening aan te tonen dat het realiseren van (extra) parkeerplaatsen op eigen terrein of aanpassing van het bouwplan niet mogelijk is.

2.6.3.    Het college heeft voor het bouwplan ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening voor een tekort van 6 parkeerplaatsen en hierbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het voldoen aan de parkeernorm onevenredig hoge kosten met zich meebrengt. Deze onevenredig hoge kosten dienen, gelet op de beleidsregels, als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a van de Bouwverordening te worden aangemerkt en zijn evident onevenredig hoog zodat OVOM geen rendementsberekening ter zake diende te overleggen, aldus het college.

2.6.4.    Ter zitting is gebleken dat in het onderhavige geval het tekort van 6 parkeerplaatsen slechts kan worden weggenomen door middel van het realiseren van een parkeerkelder waarvan de kosten ongeveer € 250.000,- zullen bedragen. Gelet op de aanneemsom van het bouwplan van € 1.024.000,- en op de nadere invulling die het college aan het begrip bijzondere omstandigheden heeft gegeven in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels, waarbij een situatie van onevenredig hoge kosten expliciet is genoemd, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de kosten voor het realiseren van een parkeerkelder onevenredig hoog zijn en dan ook als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, ander a, van de Bouwverordening dienen te worden aangemerkt. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat geen sprake is van een in artikel 2, tweede lid, onder a, van de beleidsregels genoemd twijfelgeval zodat OVOM geen rendementsberekening ter zake behoefde te overleggen.

2.7.    [twee van de appellanten] betogen tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en het college de gevraagde bouwvergunning dan ook had moeten weigeren. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m aan de voorzijde met ongeveer 25 cm overschrijdt en deze hoogte aan de achterzijde met 2,70 m wordt overschreden.

   In het onderhavige geval dient het peil, nu de hoofdtoegang van het bouwplan grenst aan de openbare weg, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk I, sub c, onder 7a, van de planvoorschriften, te worden bepaald op de bovenkant van het trottoir ter hoogte van de hoofdtoegang. Anders dan [twee van de appellanten] betogen doet de omstandigheid dat artikel 2.5.24 van de Bouwverordening een afwijkend meetvoorschrift kent aan het voorgaande niet af. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid van de Woningwet blijven de voorschriften van de Bouwverordening buiten toepassing, voor zover deze niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan.

   Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de omstandigheid, dat het bouwplan, gelegen op geaccidenteerd terrein, van de achterzijde gemeten een bouwhoogte heeft van 17,70 m, niet ter zake kan doen. Immers, gezien het bovenstaande dient de bouwhoogte van het bouwplan te worden gemeten vanaf de bovenkant van het trottoir ter hoogte van de hoofdtoegang van het bouwplan. De hoofdtoegang is in het onderhavige geval aan de voorzijde van het bouwplan gesitueerd. Hetgeen in de toelichting van het bestemmingsplan is vermeld, maakt dit niet anders, nu de toelichting niet bindend is en dan ook een planvoorschrift niet ter zijde kan stellen.

   Zoals blijkt uit de stukken en de nameting van de tot de bouwvergunning behorende bouwtekening tijdens de zitting bedraagt de bouwhoogte van het bouwplan, gemeten vanaf het peil, meer dan 15,10 m doch niet meer dan 15,15 m. Hiermee wordt de ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte met ten hoogste 15 cm overschreden. Het bouwplan is dan ook in strijd met het bestemmingsplan. Voorts is voor deze overschrijding geen vrijstelling verleend terwijl verlening van een bouwvergunning zonder vrijstelling, gelet op het vorenstaande, niet mogelijk was. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt dan ook.

2.8.    Het hoger beroep van [twee van de appellanten] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling mede gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen, het beroep van appellanten tegen het besluit van 31 januari 2006 van het college alsnog gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.9.    Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, tweede lid, van de Awb, in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 6:24 van die wet, wordt het besluit van 13 december 2006 geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Het college heeft bij dit besluit, waartegen door appellanten gezamenlijk bedenkingen zijn ingediend, met toepassing van het bepaalde in hoofdstuk IV, lid A, onder 3, van de planvoorschriften vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 15 van de WRO voor een overschrijding van het bouwpan met de op het perceel toegestane maximale bouwhoogte tot 15,15 m.

2.10.    Voor zover appellanten betogen dat het college niet bevoegd was vrijstelling te verlenen, omdat aan delen van het bestemmingsplan verbindende kracht moet worden ontzegd, bestaat voor dat oordeel, zoals reeds in overweging 2.4 is overwogen, geen grond.

2.11.    Appellanten betogen voorts dat het college de vrijstelling ten onrechte slechts heeft beperkt tot een overschrijding van de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte met 15 cm. Hiertoe voeren appellanten aan dat het bouwplan de maximaal toegestane bouwhoogte met ten minste 25 cm overschrijdt en door middel van deze overschrijding tevens, in strijd met de voorschriften van het bestemmingsplan, een extra bouwlaag wordt gerealiseerd.

   Dit betoog faalt evenzeer. Zoals reeds in 2.7 is overwogen voorziet het bouwplan in een overschrijding van de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte van in ieder geval 10 cm doch niet meer dan 15 cm. Het college heeft de vrijstelling derhalve terecht beperkt tot 15 cm. Voorts valt niet in te zien dat door deze vrijstelling een extra bouwlaag mogelijk wordt.

2.12.    Appellanten betogen dat het college ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen naar de gevolgen van de vrijstelling voor de luchtkwaliteit, het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig is voorbereid en derhalve in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

2.12.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005), voor zover thans van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en toepassingen van wettelijke voorschriften in ieder geval begrepen de bevoegdheden op grond van de artikelen 2a, 2b, 4a, 6, tweede en zesde lid, 7, 10, 11, eerste en tweede lid, 12, 15, 17, 19, 21, 28, 33, 37, tweede en vijfde lid, 38, tweede lid, 39b, 40 en 41 van de WRO.

2.12.2.    Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 december 2006 in zaak no. 200600358/1 volgt uit artikel 7, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Blk 2005 dat het college bij het besluit tot verlening van de vrijstelling gehouden was de grenswaarden als bedoeld in paragraaf 2 van het Blk 2005 in acht te nemen. Dit betekent dat slechts indien op voorhand is uitgesloten dat de vrijstelling gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, het college af heeft mogen zien van het doen van het onderzoek dat appellanten verlangen. Dit is het geval, nu de vrijstelling er slechts toe strekt om ten aanzien van het bouwplan de bouwhoogte te verhogen tot 15,15 m in plaats van de op grond van het bestemmingsplan reeds maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m.

2.13.    Appellanten betogen voorts dat het college de gevraagde vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Hiertoe stellen zij zich op het standpunt dat de vrijstelling een zodanige verslechtering vormt voor hun woon- en leefklimaat, de privacy en de brandveiligheid van hun woonomgeving dat de vrijstelling niet in redelijkheid kon worden verleend. Voorts voeren appellanten aan dat het college de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen omdat deze leidt tot een onaanvaardbaar verlies van uitzicht en de daglichttoetreding.

   Dit betoog faalt. Zoals hiervoor aangegeven strekt de vrijstelling er slechts toe om ten aanzien van het bouwplan de bouwhoogte te verhogen tot 15,15 m in plaats van de eerdergenoemde maximale bouwhoogte van 15 m. Het college heeft zich hierbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien dat deze beperkte overschrijding leidt tot een dusdanige aantasting van het woon- en leefklimaat, de privacy en de brandveiligheid van de woonomgeving dat de vrijstelling niet meer kon worden verleend. Voorts heeft het college in redelijkheid overwogen dat de vrijstelling, gelet op de geringe omvang ervan, niet leidt tot een zodanig verlies van uitzicht en de daglichttoetreding dat ook hierom de vrijstelling niet kon worden verleend.

2.14.    Tot slot mist het betoog van appellanten dat het college de vrijstelling heeft verleend in strijd met het bepaalde in artikel 4:1 van de Awb omdat het verzoek daartoe niet schriftelijk is gedaan, feitelijke grondslag.

2.15.    Gezien het voorgaande is het beroep van appellanten tegen het besluit van 13 december 2006 ongegrond. Nu het in de beslissing op bezwaar van 31 januari 2006 geconstateerde gebrek bij besluit van 13 december 2006 is hersteld, dit besluit, gelet op het vorenoverwogene in rechte in stand kan blijven en hetgeen door de VVE in beroep en hoger beroep inhoudelijk gelijk is aan hetgeen [twee van de appellanten] naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling aanleiding om met gebruikmaking van artikel 39 van de Wet op de Raad van State in samenhang bezien met artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde  besluit van 31 januari 2006, voor zover daarbij de VVE niet-ontvankelijk is verklaard.

2.16.    In verband met het vorenstaande bestaat voor het verzoek van [een van de appellanten] om vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, geen grond.

2.17.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 8 mei 2006 in zaak nos. AWB 06/1079 en 06/1654;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 31 januari 2006, kenmerk G140/05.0036429;

V.    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2006, kenmerk G230/06.0035976, ongegrond;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 31 januari 2006, voor zover daarbij de VVE niet-ontvankelijk is verklaard;

VII.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VIII.    gelast dat de gemeente Nijmegen aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 703,00 (zegge: zevenhonderddrie euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

328-503.