Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200603768/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2005 heeft de gemeenteraad van Nijmegen het bestemmingsplan "Haven- en Industriegebied Nijmegen-West 1979-46" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603768/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de naamloze vennootschap "Electrabel Nederland N.V.", gevestigd te Zwolle,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2005 heeft de gemeenteraad van Nijmegen het bestemmingsplan "Haven- en Industriegebied Nijmegen-West 1979-46" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 april 2006, kenmerk RE2005.41511, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 mei 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 22 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Nijmegen, vertegenwoordigd door ing. V.G. van Pesch en H.G.M. Vredendaal, ambtenaren van de gemeente. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft goedkeuring aan het plan onthouden wegens strijd met het recht, aangezien uit de publicatie van het plan niet blijkt dat het plan gewijzigd is vastgesteld en dat een ieder tegen deze wijzigingen bedenkingen kan indienen.

   Voorts heeft verweerder de ingebrachte bedenkingen van een inhoudelijke beoordeling voorzien. In dit kader heeft verweerder gesteld dat in plaats van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" de bestemming "Op- en overslagactiviteiten" voor de gronden van appellante opgenomen had behoren te worden. Met de dubbelbestemming "Waterstaatsdoeleinden I en II" kan verweerder instemmen nu van concrete bouwplannen van appellante niet is gebleken. Indien appellante in de toekomst bouwactiviteiten wenst te ontwikkelen, dan zullen deze getoetst dienen te worden aan het "nee, tenzij"-afwegingskader van de beleidslijn Ruimte voor de Rivier, aldus verweerder.

   Verweerder heeft het vervolgens in het kader van de herzieningsplicht ex artikel 30 van de WRO een taak van het gemeentebestuur geacht om zich naar aanleiding van het bovenstaande te beraden over de toe te kennen bestemmingen en de gewenste planologische situatie in dezen.

Het standpunt van appellante

2.4.    Appellante kan zich niet verenigen met de inhoudelijke beoordeling van de door haar ingebrachte bedenkingen. Zij wenst op haar gronden een uitbreiding te realiseren, welke volgens haar voldoende concreet en kenbaar is. Ten onrechte acht verweerder de aan haar gronden gegeven bestemming "Bedrijfsdoeleinden" in dit verband onjuist, aldus appellante. Zij betoogt dat haar activiteiten en de voorziene uitbreiding daarvan bovendien onder het "ja, mits"-afwegingskader van de beleidslijn Ruimte voor de Rivier dienen te worden getoetst. Voorts stelt appellante dat deze beleidslijn op ondeugdelijke wijze in het plan is vertaald. Het op voorhand verbieden van bebouwing gaat voorbij aan het feit dat een beoordeling per geval dient plaats te vinden, aldus appellante.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.    De gemeenteraad van Nijmegen heeft het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. In de publicaties van de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan staat niet vermeld dat het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld en dat de bevoegdheid tot het indienen van bedenkingen bij verweerder toekomt aan een ieder, die bezwaren heeft tegen deze wijzigingen.

2.6.1.    Ingevolge artikel 3:12, derde lid, van de Awb, voor zover van belang, wordt in de kennisgeving vermeld wie in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen naar voren te brengen.

In het tweede lid van artikel 27 van de WRO is bepaald dat, voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn daartegen schriftelijke bedenkingen bij gedeputeerde staten kan inbrengen.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    De gemeenteraad van Nijmegen heeft bij de vaststelling van het voorliggende plan daarin wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp.

In de kennisgeving van het vastgestelde plan is in strijd met artikel 3:12, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de WRO ten onrechte niet vermeld dat een ieder schriftelijk bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten kan indienen tegen de bedoelde wijzigingen.

2.7.1.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WRO dienen de voorgeschreven eisen ter zake van de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan als minimale waarborgen voor de rechtzoekenden te worden beschouwd, waarvan strikte naleving noodzakelijk is.

2.7.2.    Gelet op het vorenstaande is gehandeld in strijd met artikel 3:12, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de WRO.

Gelet hierop heeft verweerder terecht goedkeuring onthouden aan het plan.

2.8.    Voorts heeft verweerder de door appellante ingebrachte bedenkingen van een inhoudelijke beoordeling voorzien.

Dit verdraagt zich niet met een onthouding van goedkeuring op de onder 2.7 tot en met 2.7.2. genoemde gronden, aangezien verweerder eerst op het moment dat hij over alle bedenkingen beschikt zich een volledig beeld kan vormen over de af te wegen belangen.

Gelet hierop is de handelwijze van verweerder, door in te gaan op de bedenkingen van appellante zonder te hebben afgewacht of er bedenkingen zouden worden ingediend tegen de gewijzigde vaststelling, prematuur.

Hij heeft hierdoor gehandeld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.9.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.8. is het beroep gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.7.2. is er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk, zodat de Afdeling aanleiding ziet om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan het plan.

De Afdeling overweegt hierbij dat de aanpassingsplicht in het kader van artikel 30 van de WRO in beginsel niet verder strekt dan het ongewijzigd opnieuw vaststellen van het plan en de bekendmaking daarvan.

Dit laat onverlet dat het gemeentebestuur ervoor zou kunnen kiezen na het volgen van de daartoe geëigende procedure een geheel nieuw plan op te stellen voor het plangebied.

2.10.    Gelet op al het vorenstaande kunnen de bezwaren van appellante niet worden besproken.

Proceskosten

2.11.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 april 2006, kenmerk RE2005.41511;

III.    onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto                          w.g. Neuwahl

Voorzitter                           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

280-522.