Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200603478/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder op grond van de artikelen 28 en 39 van de Wet bodembescherming ingestemd met een saneringsplan voor het geval van bodemverontreiniging op de locatie Hoge Ham 113 te Dongen. Tevens heeft verweerder met dit besluit zijn instemming van 6 juli 1998 met een eerder saneringsplan ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 28
Wet bodembescherming 39
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bodem 2007/38
JBO 2007/85 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2007/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603478/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder op grond van de artikelen 28 en 39 van de Wet bodembescherming ingestemd met een saneringsplan voor het geval van bodemverontreiniging op de locatie Hoge Ham 113 te Dongen. Tevens heeft verweerder met dit besluit zijn instemming van 6 juli 1998 met een eerder saneringsplan ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2007. Appellant is niet ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door Y.G.E. Weijns-Maréchal en drs. M. de Grijs, ambtenaren van de provincie, verschenen. Tevens is [partij] vertegenwoordigd door drs. A.G. Focke, gemachtigde, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 januari 2006 is de nieuwe Wet bodembescherming in werking getreden. Artikel II van de overgangsbepaling uit de Wijzigingswet Wet bodembescherming van 15 december 2005 (Staatsblad 2005, nr. 680) bepaalt dat op saneringsplannen die voor 1 januari 2006 zijn ingediend, artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming (oud) van toepassing blijft.

2.2.    Artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming (oud) bepaalt dat een melding als bedoeld in artikel 28, indien het een geval van ernstige verontreiniging betreft, vergezeld dient te gaan van de resultaten van het nader onderzoek, de resultaten van het saneringsonderzoek en een saneringsplan. Het saneringsplan dient onder meer in te houden:

a. een nadere beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd;

b. een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;

c. indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een beschrijving van de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van die verontreiniging zal worden beheerd en van de maatregelen die zullen worden genomen in verband met beperkingen die de verontreiniging voor het gebruik van de bodem met zich brengt.

   Artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming (nieuw) bepaalt dat het saneringsplan de instemming behoeft van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

   Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming (nieuw) bepaalt dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uitvoert dat onder meer:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.3.    Appellant voert aan dat er op grond van het bestreden besluit minder vergaand gesaneerd behoeft te worden dan op grond van de bij het bestreden besluit ingetrokken instemming van verweerder van 6 juli 1998 met een eerder saneringsplan. Hij betoogt dat daardoor in de eindsituatie een grote restverontreiniging zal overblijven. Hij meent dat niet uitgesloten is dat deze verontreiniging zich verspreidt naar zijn naast het geval van bodemverontreiniging gelegen terrein, zodat er onaanvaardbare gezondheidsrisico's ontstaan ingeval grondwater wordt opgepompt of fruit en groenten uit de tuin worden geconsumeerd.

2.3.1.    Verweerder stelt dat er na afloop van de sanering in het grondwater tot tien meter beneden het maaiveld geen interventiewaarde-overschrijdingen meer bestaan. Tot deze diepte kan dan ook zonder bezwaar grondwater worden ontrokken ten behoeve van gewassen, zodat het perceel zonder problemen kan worden gebruikt voor de huidige functie.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op het in het rapport "Eindrapport project doorstart A-5" neergelegde beleidskader. Hierbij wordt voor de aanpak van de onderhavige mobiele verontreiniging gekozen voor de zogenoemde trede 3 aanpak waarbij het saneringsplan moet leiden tot een stabiele eindsituatie met een grote restverontreiniging, waarbij geen humane of ecologische risico's bestaan, geen verdere verspreiding van de verontreiniging optreedt, geen kwetsbare objecten worden bedreigd en geen verstoring van de stabiele eindsituatie optreedt.

   De grondwaterverontreiniging bevindt zich reeds onder het terrein van appellant, zij het uitsluitend op een diepte van ten minste tien meter onder het maaiveld. Ook de na de sanering resterende grote restverontreiniging zal zich blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, op die diepte bevinden. Tevens blijkt dat in het door appellant gebruikte sproeiwater dat uit een hoger gelegen grondwaterlaag wordt onttrokken, geen verontreinigingen boven de streefwaarden zijn aangetoond.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen contactmogelijkheden tussen personen en de onderhavige verontreiniging zijn en dat de door appellant gevreesde humane risico's zich niet voordoen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4.    Appellant meent dat de in het nieuwe saneringsplan opgenomen monitoringsverplichting onvoldoende waarborgt dat de verontreiniging zich niet verder zal verplaatsen.

2.4.1.    Het saneringsplan voorziet na afloop van de sanering in monitoring, gedurende een zodanige termijn dat kan worden vastgesteld of de verontreinigingspluim gedurende vijf opeenvolgende jaren stabiel is geweest. Is dat het geval, dan kan de sanering worden afgerond.

2.4.2.    De Afdeling overweegt dat er op grond van trede 3 van het gehanteerde beleidskader sprake is van een stabiele eindsituatie, wanneer de eindconcentratie zich binnen maximaal 30 jaar heeft gestabiliseerd. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat een periode van vijf jaar waarbij geen verspreiding wordt aangetoond geen waarborg geeft dat de verontreiniging zich niet alsnog verplaatst. Verweerder heeft echter ingestemd met een saneringsplan waarin er van wordt uitgegaan dat er sprake is van een stabiele eindsituatie indien de omvang van de verontreiniging zich over een aaneengesloten periode van vijf jaar, aan te tonen binnen 30 jaar, niet heeft uitgebreid.

   Gelet hierop kan het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.5.    Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 maart 2006, kenmerk 1180758, code NB/0766/00019;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                                  w.g. Fransen

Voorzitter                                         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

407