Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200603264/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft verweerder aan het stadsdeel ZuiderAmstel van de gemeente Amsterdam (hierna: vergunninghouder) een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, voor het veranderen van een stadsdeelwerf, gelegen op het perceel Van Heenvlietlaan 50 te Amsterdam. Dit besluit is op 22 maart 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/3999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603264/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Tuinstad Buitenveldert", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft verweerder aan het stadsdeel ZuiderAmstel van de gemeente Amsterdam (hierna: vergunninghouder) een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, voor het veranderen van een stadsdeelwerf, gelegen op het perceel Van Heenvlietlaan 50 te Amsterdam. Dit besluit is op 22 maart 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 mei 2006.

Bij brief van 16 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 oktober 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door R.A. Quint, W. van Arend en H. van der Kolk, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.L.J. Post en R.R. Garnaat, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Eerst bij nadere memorie heeft appellante aangevoerd dat onduidelijk is welke activiteiten in de inrichting worden ontplooid en dat de inrichting deels is gelegen in een ecologische zone. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante deze gronden niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Deze gronden kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.3.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellante heeft de gronden inzake het gebruik van milieuonvriendelijke middelen, artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de verkeersonveiligheid en het ongewenst zijn van de vergunde veranderingen in verband met de mogelijke samenwerking dan wel fusie met andere stadsdelen, niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4.    Voor de inrichting is eerder bij besluit van 6 december 1995 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend met betrekking tot onder meer een kantoor, een kantine, een afvaldepot, een zoutopslag met distributie voor gladheidbestrijding, en een werk- en een wasplaats voor bedrijfswagens.

   Bij het bestreden besluit is krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend met betrekking tot onder meer een kantoor, een kantine, een werkplaats voor het onderhoud van bedrijfswagens, een overdekte wasplaats en een buitenwasplaats voor bedrijfswagen, een magazijn, werkplaatsen voor metaal en houtbewerking, een schilderswerkplaats en een stalling voor bedrijfswagens. Ten opzichte van de onderliggende vergunning is in de inrichting niet langer een zoutopslag met distributie voor gladheidbestrijding en een afvaldepot aanwezig. Verder worden nieuwe opstallen gerealiseerd en wordt het terrein van de inrichting vergroot en anders gesitueerd.

2.5.    Appellante voert aan dat ten onrechte een revisievergunning is verleend, nu de opstallen van de eerder vergunde inrichting worden gesloopt en nieuwbouw plaatsvindt ten behoeve van de nieuw vergunde inrichting. Volgens haar had een oprichtingsvergunning moeten worden verleend.

   De Afdeling overweegt dat de systematiek van de Wet milieubeheer en met name artikel 8.4 zich er niet tegen verzetten dat in een geval als het onderhavige een revisievergunning wordt verleend. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

2.6.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.7.    Appellante voert aan dat moet worden gevreesd voor geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting. Door de vergunde veranderingen zal het aantal verkeersbewegingen in de wijk aanzienlijk toenemen. Er is volgens appellante ten onrechte geen rekening gehouden met de verkeersbewegingen van leveranciers en van werknemers die een parkeerplaats zoeken voor hun privé-auto.

2.7.1.    Bij het beoordelen van de van de inrichting te verwachten indirecte geluidhinder heeft verweerder de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting’ van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. In de circulaire wordt geadviseerd om de geluidbelasting vanwege verkeersbewegingen buiten het terrein van de inrichting te beoordelen aan de hand van de etmaalwaarde van het bij die verkeersbewegingen behorende equivalente geluidniveau. Hiertoe wordt in de circulaire geadviseerd een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde aan te houden.

2.7.2.    Verweerder is uitgegaan van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Uit het van de vergunning deel uitmakende rapport van een akoestisch onderzoek van 17 oktober 2005, kenmerk R001-4374209RVN-gwi-V02-NL, opgesteld door het adviesbureau "Tauw", (hierna: het geluidrapport) blijkt dat de geluidbelasting van het aangevraagde aantal verkeersbewegingen van bedrijfsvoertuigen (in totaal 522 per dag door 15 personenwagens, 42 busjes/pick ups, 20 veegwagens en 10 huisvuilwagens) van en naar de inrichting ter plaatse van de dichtstbijgelegen woonbebouwing ten hoogste 48,9 dB(A) bedraagt.

   Bij de berekeningen ten behoeve van het geluidrapport is de geluidbelasting van privé-auto's van werknemers die een parkeerplaats zoeken niet betrokken. De Afdeling overweegt dat de gevolgen voor het milieu van af- en aanrijdend verkeer - conform bestendige jurisprudentie - niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, alsmede gezien het deskundigenbericht, moet worden aangenomen dat de privé-auto's van werknemers die een parkeerplaats zoeken in de wijk rondom de inrichting, met name in het gedeelte van de wijk aan de andere zijde van de Van Nijenrodeweg, zich in ieder geval op het moment waarop deze ter plaatse van de woningen van derden hinder zouden kunnen veroorzaken, niet zullen onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken wegen kan bevinden. Onder deze omstandigheden worden de gevolgen van dit verkeer voor het milieu ter plekke niet aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend. Gelet hierop heeft verweerder er op goede gronden van afgezien de geluidbelasting van dit verkeer bij de beoordeling van de indirecte geluidhinder vanwege de inrichting te betrekken.

   Bij de berekeningen ten behoeve van het geluidrapport is de geluidbelasting van aan- en afrijdende leveranciers niet betrokken. Gezien het geluidniveau van de verkeersbewegingen van de bedrijfsvoertuigen en het  met het karakter van de inrichting samenhangende te verwachten beperkte aantal leveranciers, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat de verkeersbewegingen van aan- en afrijdende leveranciers niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) zullen leiden.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting niet behoeft te worden gevreesd.

2.8.    Appellante betoogt dat moet worden gevreesd voor verkeershinder. Het aantal verkeersbewegingen van bedrijfswagens in de wijk rond de inrichting zal toenemen, hetgeen tot onder meer verkeersbelemmeringen zal leiden bij de verkeerslichten die in de nabijheid van de uitrit van de inrichting zijn gelegen. Verder zullen werknemers met name in de vroege ochtend extra verkeersbewegingen veroorzaken bij het zoeken naar een parkeerplaats voor hun privé-auto.

2.8.1.    Wat het aspect belemmering van het verkeer betreft, overweegt de Afdeling dat de wegenverkeerswetgeving daarvoor het primaire toetsingskader biedt. Daarnaast blijft er in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Zoals reeds is overwogen, kunnen de gevolgen voor het milieu van de verkeersbewegingen van de privé-auto's van werknemers die een parkeerplaats zoeken, niet aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, zodat er voor verweerder geen aanleiding was om deze verkeersbewegingen in de beoordeling van de aanvraag te betrekken. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de inrichting voorzien van een inrit aan de Van Heenvlietlaan en een separate uitrit aan de Van Leijenberghlaan, zodat het in- en uitrijden van bedrijfswagens gescheiden plaatsvindt. Gelet hierop, alsmede op het karakter van de Van Heenvlietlaan en de Van Leijenberghlaan en op het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de te verwachten verkeershinder als gevolg van de af- en aanrijdende bedrijfswagens niet zodanig is, dat de vergunning hierom zou moeten worden geweigerd, dan wel dat in verband daarmee nadere voorschriften zouden moeten worden gesteld.

2.9.    Appellante betoogt dat moet worden gevreesd voor parkeerhinder. Zij voert aan dat een tekort aan parkeerplaatsen voor omwonenden zal ontstaan, nu de werknemers van de inrichting hun auto's in de wijk rondom de inrichting zullen parkeren. Appellante twijfelt aan de juistheid van het gehanteerde uitgangspunt dat circa de helft van de werknemers met de eigen auto naar de inrichting komt. Verder acht zij het discriminatoir jegens omwonenden dat aan werknemers van de inrichting (gratis) parkeervergunningen worden verstrekt.

2.9.1.    In de aanvraag is vermeld dat naar verwachting van de in totaal 160 werknemers er circa 85 met de eigen auto naar de inrichting zullen komen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is. Ten behoeve van de werknemers die met de eigen auto komen zullen, blijkens de stukken, 36 extra (openbare) parkeerplaatsen worden gerealiseerd aan de Van Heenvlietlaan. Gelet op hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting verder naar voren is gekomen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de omgeving van de inrichting aanwezige parkeerruimte voldoende is om onaanvaardbare parkeerhinder vanwege de overige werknemers die met de eigen auto komen, te voorkomen.    

   Het bestreden besluit strekt niet tot het verlenen van parkeervergunningen aan werknemers van de inrichting, zodat appellantes klacht inzake het discriminatoire karakter daarvan niet in deze procedure aan de orde kan komen.

2.10.    Voor zover appellante aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.11.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de gronden inzake het gebruik van milieuonvriendelijke middelen, artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de verkeersonveiligheid en het ongewenst zijn van de vergunde veranderingen in verband met de mogelijke samenwerking dan wel fusie met andere stadsdelen betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                            w.g. Timmerman

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

431