Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200604350/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2002, het bestemmingsplan "Artikel 30-herziening, Agrarisch Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604350/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], gevestigd te [plaats], gemeente Ede,

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Ede,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2002, het bestemmingsplan "Artikel 30-herziening, Agrarisch Buitengebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 19 augustus 2003, kenmerk RE2003.14631, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 19 augustus 2003 bij uitspraak van 23 december 2003, no. 200306621/3, geheel vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 september 2004, kenmerk RE2003.122295, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 14 september 2004 bij uitspraak van 27 juli 2005, no. 200408044/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 maart 2006, kenmerk RE2005.37591, voor zover nodig, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 12 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2006, en [appellanten sub 2] bij brief van 21 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Ede. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 1] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 17 januari 2007 heeft [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2007, waar "[appellant sub 1]", vertegenwoordigd door mr. R.T. Kirpestein, gemachtigde en [appellanten sub 2], in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Ede, vertegenwoordigd door D. Kellner, ambtenaar van de gemeente, en [partij], in persoon en bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellanten

2.3.    [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" betreffende het perceel aan de [locatie sub 1] te [plaats]. Volgens appellanten toont de overgelegde aankoopfactuur van een pony niet aan dat de vereiste veebezetting aanwezig was ten tijde van de inventarisatie in 1992 om de toekenning van de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" te rechtvaardigen.

   [appellanten sub 2] stellen voorts dat in afwijking van de milieuvergunning en zonder bouwvergunning op het perceel is gebouwd en dat het gemeentebestuur verzuimd heeft om hiertegen handhavend op te treden. Volgens [appellanten sub 2] is bovendien sprake van détournement de pouvoir, aangezien het plan gewijzigd is vastgesteld om een agrarische aanduiding toe te kennen, terwijl bij het gemeentebestuur bekend was dat de eigenaar van het desbetreffende perceel geen agrariër was.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft de aanduiding niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat op grond van stallijsten, de aankoopfactuur van een pony en getuigenverklaringen van omwonenden van het perceel is aangetoond dat medio 1992 de vereiste veebezetting aanwezig was om de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" aan het desbetreffende perceel toe te kennen.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Dit plan houdt een partiële herziening in van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied".

Het plan, voor zover hier van belang, voorziet in de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" met de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" voor het perceel [locatie sub 1] te [plaats]. Dit perceel, dat in eigendom toebehoort aan [partij], ligt in het agrarisch buitengebied ten oosten van de kern Ederveen.

   [appellant sub 1] is een bedrijf dat handelt in onroerend goed aan de [locatie sub 2] te [plaats].  [Directeur] van genoemde B.V., woont aan de [locatie sub 3] en [appellant sub 2] woont aan de [locatie sub 1] te [plaats].

2.5.2.    In het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" was aan het perceel dezelfde bestemming toegekend met de aanduiding "wonen". Bij de planvaststelling van de herziening van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" heeft de gemeenteraad deze aanduiding ambtshalve gewijzigd in "agrarische nevenactiviteit" onder verwijzing naar de veebezetting van meer dan 10 standaardbedrijfseenheden (verder: sbe) op het perceel [locatie sub 1] ten tijde van de inventarisatie in 1992.

   Voor de berekening van de veebezetting bij deze herziening heeft de gemeenteraad zich gebaseerd op de landbouwtelling van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 16 april 1992.

2.5.3.    Blijkens de toelichting van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" is bedrijvigheid aangemerkt als "agrarische nevenactiviteit" bij het wonen daar waar ten tijde van de inventarisatie sprake is van kleinschalige agrarische bedrijvigheid met een productieomvang tussen de 10 en 50 sbe.

2.5.4.    In de uitspraak van 27 juli 2005, no. 200408044/1 heeft de Afdeling het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" en de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" met betrekking tot de gronden van het perceel Nieuweweg 76 vernietigd, aangezien het besluit was genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   De Afdeling heeft, voor zover van belang, als volgt overwogen:

   "2.5.5. Blijkens de plantoelichting van het bestemmingsplan "Agrarisch     Buitengebied" is bedrijvigheid aangemerkt als agrarische nevenactiviteit     bij het wonen daar waar ten tijde van de inventarisatie sprake is van     kleinschalige agrarische bedrijvigheid met een productieomvang tussen de     10 en 50 sbe"

   "2.5.8. Verweerder heeft de bedenkingen van [appellant sub 1]     met betrekking tot de wijziging van de aanduiding "wonen" in     "agrarische nevenactiviteit" naast de bestemming "Agrarisch     veenontginningslandschap Ederveen" voor het perceel [locatie sub 1]     weerlegd enkel door te wijzen op de omstandigheid dat de veebezetting     ter plaatse ten tijde van genoemde inventarisatie meer dan 10 sbe     bedroeg.

   Gelet op het voorgaande berust het aantal van meer dan 10 sbe op een     onjuiste berekening.

   Ter zitting heeft de gemeenteraad dit erkend, maar tevens gesteld dat     niet nader is onderzocht of op grond van andere stukken en verklaringen     een beeld gevormd kan worden over de veebezetting.

   Uitgaande van de landbouwtelling van het Ministerie van Landbouw,     Natuurbeheer en Visserij van 16 april 1992 bestaat geen aanleiding om     aan het in het deskundigenrapport berekende aantal van 4,7 sbe te     twijfelen. Zolang niet op andere wijze is aangetoond dat ten tijde van een     inventarisatie in 1992 op de desbetreffende gronden de vereiste     veebezetting aanwezig was om op grond van het in overweging 2.5.5.     genoemde uitgangspunt dat is gehanteerd bij de totstandkoming van het     plan, de bedrijvigheid ter plaatse als agrarische nevenactiviteit aan te     merken, dient dit aantal van 4,7 sbe te worden aangehouden."

2.5.5.    Een aankoopfactuur van een pony, gedateerd 22 april 1991, is overgelegd. Daarnaast zijn stallijsten overgelegd betreffende de jaren 1991, 1993, 1994 en 1995. Op de stallijsten van 1991, 1994 en 1995 staat een koe vermeld met geboortedatum 20 maart 1988. Niet in geding is dat een pony als 3,7 sbe wordt aangemerkt en dat een zoogkoe als 2,7 sbe wordt aangemerkt.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    De Afdeling stelt voorop dat de bezwaren die [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, dat in afwijking van de milieuvergunning en zonder bouwvergunning op het perceel aan de [locatie sub 1] is gebouwd, in deze procedure, waarin uitsluitend de goedkeuring van het voorliggende plan ter beoordeling staat, niet aan de orde kunnen komen. Deze bezwaren, wat daar verder van zij, moeten derhalve buiten bespreking blijven.

2.7.    Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2005 dient te worden beoordeeld of thans is aangetoond dat ten tijde van de inventarisatie in mei 1992 op de desbetreffende gronden de vereiste veebezetting aanwezig was om op grond van het onder 2.5.3. genoemde uitgangspunt de bedrijvigheid ter plaatse als agrarische nevenactiviteit aan te merken. Anders dan appellanten stellen is in dit kader de feitelijke veebezetting ter plaatse van belang en niet of het vee ter plaatse al dan niet legaal aanwezig was.

2.7.1.    Om de aanwezigheid van een pony ten tijde van de inventarisatie in mei 1992 aan te tonen is een aankoopfactuur van een pony, gedateerd 22 april 1991, overgelegd. Daarnaast zijn verscheidene getuigenverklaringen overgelegd waarin wordt verklaard dat in 1992 een pony op het perceel van [partij] aanwezig was. Appellanten hebben weliswaar de aanwezigheid van de pony betwist, maar hebben daarbij geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid van de aanwezigheid van een pony heeft kunnen uitgaan. Gelet hierop heeft verweerder terecht 3,7 sbe voor een pony bij de veebezetting van 4,7 sbe opgeteld.

   Voorts heeft verweerder in de overgelegde stallijsten aanleiding kunnen vinden voor het oordeel dat tevens de aanwezigheid van een zoogkoe ten tijde van de inventarisatie aannemelijk is geworden. Uit de stukken is gebleken dat op de stallijsten van 1991, 1994 en 1995 een koe met een geboortedatum van 20 maart 1988 is opgenomen. Gelet op het feit dat een koe van ongeveer 24 maanden voor het eerst kan kalven en derhalve kan zogen, is deze koe terecht als zoogkoe aangemerkt. De omstandigheid dat de stallijst van 1992 niet is overgelegd alsmede de omstandigheid dat de aanwezigheid van deze zoogkoe niet onomstotelijk van de stallijst van 1993 kan worden afgeleid, doen aan het voorgaande niet af. Uit de stallijsten van 1991, 1994 en 1995 en het verhandelde ter zitting blijkt immers, dat het om hetzelfde dier gaat. Daaruit mocht verweerder afleiden, dat de betreffende zoogkoe ook in 1992 aanwezig was. Verweerder heeft dan ook terecht 2,7 sbe voor een zoogkoe bij de veebezetting van 4,7 sbe opgeteld.

   Gezien het vorenstaande is verweerder er terecht vanuit gegaan dat de veebezetting ten tijde van de inventarisatie in mei 1992 meer dan 10 en minder dan 50 sbe bedroeg.

   Voorts zijn verschillende getuigenverklaringen overgelegd waarin wordt verklaard dat vanaf 1992 tevens een paard op het perceel van [partij] aanwezig was. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaringen onjuist zijn.

   Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de vereiste veebezetting ten tijde van de inventarisatie ruim voldoende was voor toekenning van de desbetreffende aanduiding.

2.7.2.    Anders dan [appellanten sub 2] stellen is verder niet aannemelijk geworden dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid tot gewijzigd vaststellen van een bestemmingsplan voor een ander doel heeft aangewend, dan waartoe deze is gegeven.

2.7.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanduiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

   De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto      w.g. Neuwahl

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

280-522.