Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200606254/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2001 heeft de waarnemend korpschef van de politieregio Midden en West Brabant het verzoek van appellant om verstrekking van een afschrift van een rapport naar aanleiding van ongeregeldheden in de Turkse gemeenschap in Bergen op Zoom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606254/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/4601 van de rechtbank Breda van 27 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2001 heeft de waarnemend korpschef van de politieregio Midden en West Brabant het verzoek van appellant om verstrekking van een afschrift van een rapport naar aanleiding van ongeregeldheden in de Turkse gemeenschap in Bergen op Zoom afgewezen.

Bij besluit van 29 mei 2002 heeft de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant (hierna: de korpsbeheerder), voor zover thans van belang, het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2003 heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de korpsbeheerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Bij besluit van 5 juli 2003 heeft de korpsbeheerder, voor zover thans van belang, het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2004 in zaak no. 200303712/1 (AB 2004, 153) heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, de uitspraak van 18 april 2003 bevestigd, het beroep tegen het besluit van 5 juli 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd in zoverre het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2001 ongegrond is verklaard en de korpsbeheerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Bij besluit van 21 april 2005 heeft de korpsbeheerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2005 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en aan de korpsbeheerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

Bij besluit van 17 november 2005 heeft de korpsbeheerder wederom op het bezwaar beslist en een deel van de passages uit het rapport alsnog openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 27 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2006 heeft de korpsbeheerder van antwoord gediend.

Bij brief van 22 oktober 2006 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. L.W.H. van den Berg, juridisch medewerker bij de politieregio Midden en West Brabant, zijn verschenen.

Bij brief van 31 januari 2007 heeft appellant aan de Afdeling verklaard dat hij naar aanleiding van de brief van 23 januari 2007 van de korpsbeheerder een deel van de door hem in hoger beroep aangevoerde gronden intrekt. Bij brief van 8 februari 2007 heeft de korpsbeheerder de brief van 23 januari 2007 aan de Afdeling gezonden. Vervolgens is het onderzoek met door partijen verleende toestemming voor het achterwege laten van een nadere behandeling ter zitting gesloten.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet politieregisters (hierna: de Wpolr) wordt in de Wpolr en de daarop berustende bepalingen onder politieregister of register verstaan:

een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens

- die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd, en

- die is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wob, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

2.2.    Bij besluit van 17 november 2005 heeft de korpsbeheerder de afwijzing van het verzoek van appellant om openbaarmaking wat betreft een aantal passages uit het rapport gehandhaafd. Daarbij heeft de korpsbeheerder zich beroepen op de belangen gediend met het voorkomen van schade aan de betrekkingen van Nederland met andere staten, in het bijzonder met Turkije, de opsporing en vervolging van strafbare feiten, en inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

2.3.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de korpsbeheerder openbaarmaking van passages, waarin aspecten worden besproken van de mogelijke invloed van de Turkse overheid op delen van de Turkse gemeenschap in Nederland, in redelijkheid heeft mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpsbeheerder het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten heeft mogen laten prevaleren boven het algemene belang van openbaarmaking, mede nu geen strafrechtelijk onderzoek is verricht en niet is overgegaan tot strafrechtelijke vervolging. Verder betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat reeds veel is gepubliceerd over conflicten binnen de Turkse gemeenschap, en dat niet alle passages waarvan openbaarmaking is geweigerd over zulke conflicten gaan, zodat de korpsbeheerder openbaarmaking van diverse passages niet heeft mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob.

2.3.1.    Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet openbaar gemaakte stukken stelt de Afdeling vast dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de respectievelijke belangen waarop de korpsbeheerder zich bij de niet openbaar gemaakte passages heeft beroepen, aan de orde zijn.

   De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de korpsbeheerder in redelijkheid het belang van de betrekkingen van Nederland met Turkije heeft mogen laten prevaleren boven het algemene belang bij openbaarmaking van de in het bestreden besluit met de letters U, V, W en Y aangeduide passages, nu openbaarmaking van die passages de contacten met de Turkse overheid onder druk zou kunnen zetten.

   Daarnaast heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat openbaarmaking van passages die betrekking hebben op strafbare feiten in redelijkheid mocht worden geweigerd, aangezien die passages nog van belang zijn als achtergrondinformatie voor het rechercheonderzoek naar strafbare feiten en het bekendmaken van deze passages dat onderzoek zou kunnen schaden.

   Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat openbaarmaking van passages die handelen over conflicten binnen de Turkse gemeenschap in redelijkheid mocht worden geweigerd. Daartoe heeft de rechtbank terecht overwogen dat prevalerend belang mocht worden toegekend aan de mogelijkheid voor de korpsbeheerder om zicht te houden op die conflicten, waartoe moet worden voorkomen dat de in het rapport in kaart gebrachte structuren binnen de Turkse gemeenschap wijzigen of aan het zicht worden onttrokken ten gevolge van de openbaarmaking van de desbetreffende delen van het rapport. Dat reeds veel is gepubliceerd over conflicten binnen de Turkse gemeenschap in Nederland, zoals appellant heeft aangevoerd, betekent niet dat de korpsbeheerder daarom openbaarmaking van zijn onderzoeksresultaten niet in redelijkheid meer kan weigeren, reeds omdat appellant zich beroept op meer algemene publicaties over de Turkse gemeenschap, terwijl het rapport de specifieke situatie van de Turkse gemeenschap in Midden en West Brabant betreft.

2.3.2.    Na vergelijking van het gedeeltelijk openbaar gemaakte afschrift van het rapport met het integrale rapport zelf, stelt de Afdeling vast dat de korpsbeheerder in zijn besluit van 17 november 2005 aan de bij het rapport behorende inhoudsopgave en het in die inhoudsopgave als bijlage vermelde schema is voorbijgegaan. Ter zitting van de Afdeling heeft de korpsbeheerder verklaard dat hij de inhoudsopgave alsnog openbaar zal maken en dat hij niet voornemens is het schema openbaar te maken. Bij brief van 23 januari 2007 heeft de korpsbeheerder de inhoudsopgave aan appellant verzonden.

   Ten aanzien van voornoemd schema overweegt de Afdeling dat de korpsbeheerder dit niet aan de Afdeling heeft overgelegd, en dat het er voor moet worden gehouden dat dit evenmin aan de rechtbank is overgelegd. De rechtbank heeft derhalve haar oordeel niet gebaseerd op een volledige versie van het rapport waarvan de openbaarmaking is verzocht. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat aan haar niet het - in voornoemde inhoudsopgave vermelde - schema is overgelegd, en dat de korpsbeheerder niet heeft beoordeeld of dat schema al dan niet openbaar kan worden gemaakt. In zoverre slaagt het betoog van appellant dat de motivering in het bestreden besluit van de weigering bepaalde onderdelen van het rapport openbaar te maken niet deugdelijk is.

2.4.    Ten aanzien van het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de korpsbeheerder de bij het besluit van 17 november 2005 openbaar gemaakte informatie in strijd met artikel 7 van de Wob niet in kopie heeft verstrekt, maar in geciteerde vorm heeft weergegeven, overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.1.    Ter zitting van de Afdeling heeft de korpsbeheerder verklaard dat hij bereid is voornoemde openbaar gemaakte informatie alsnog in kopievorm te verstrekken, waarop appellant heeft verklaard laatstgenoemd betoog te zullen intrekken.

   Bij brief van 23 januari 2007 heeft de korpsbeheerder de openbaar gemaakte informatie, met uitzondering van de woorden "en zijn tegen secularisatie" (hierna: passage g) in kopievorm verstrekt. Appellant heeft bij brief van 31 januari 2007 verklaard dat hij zijn betoog inzake artikel 7 van de Wob intrekt, behoudens voor zover dit passage g betreft.

2.4.2.    Ten aanzien van het thans nog ter beoordeling staande betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat passage g ten onrechte niet in kopievorm, maar in geciteerde vorm, openbaar is gemaakt, overweegt de Afdeling dat het een korte tekstpassage betreft waarmee appellant bekend is, en dat hij die passage gemakkelijk kan inlezen in de hem reeds verstrekte versie van het rapport. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank heeft miskend dat de openbaarmaking van die passage door het citeren daarvan in strijd is met artikel 7 van de Wob.

2.5.    Appellant betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder de kosten, die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, behoorde te vergoeden. Dit betoog faalt omdat appellant geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 21 april 2005 voor zover daarbij geen tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb is betaald.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd in zoverre de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de weigering het schema openbaar te maken. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren voor zover dit voormelde weigering betreft, de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen, en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb het besluit van 17 november 2005 vernietigen voor zover daarin geen standpunt is ingenomen over het schema.

2.7.    De korpsbeheerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 juli 2006 in zaak no. 05/4601, voor zover geen oordeel is gegeven over de weigering het schema openbaar te maken;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V.    vernietigt het besluit van de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant van 17 november 2005, kenmerk RMWB01/4338, voor zover daarin geen standpunt is ingenomen over de openbaarmaking van het schema;

VI.    veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.746,58 (zegge: zeventienhonderdzesenveertig euro en achtenvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.610,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de politieregio Midden en West Brabant aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de politieregio Midden en West Brabant aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                           w.g. Van der Smissen

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

450