Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200606064/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van appellante om wijziging van haar geboortedatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de basisadministratie) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606064/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3054 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van appellante om wijziging van haar geboortedatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de basisadministratie) afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2006, verzonden op 4 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. Y.W.G. Verschuren, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs en J.E. Hartog, beiden als ambtenaar werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

   Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voorzover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

   Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

   Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, van de Wet GBA, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    Appellante is op 23 december 1996 ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente Den Haag, onder vermelding van 3 maart 1989 als haar geboortedatum. Haar persoonsgegevens, waaronder haar geboortedatum, zijn destijds ontleend aan het door haar overgelegde Turkse paspoort.

2.3.    Bij brief van 17 september 2004 heeft appellante verzocht om wijziging van haar geboortedatum in 3 maart 1985. Zij heeft dit verzoek gebaseerd op de stelling dat abusievelijk in de basisadministratie van Turkije 3 maart 1989 als geboortedatum van appellante is ingevoerd. Ter onderbouwing van die stelling heeft appellante een vonnis van de districtsrechtbank van Eleskirt van 18 juli 2002 (hierna: het vonnis) overgelegd, welk vonnis heeft geleid tot wijziging van haar geboortedatum in de basisadministratie van Turkije.

2.4.    Het college heeft aan de weigering de geboortedatum te wijzigen ten grondslag gelegd dat een vermelding slechts na overtuigend bewijs kan worden gewijzigd en dat met het vonnis dat bewijs niet is geleverd. Het vonnis is onder meer gebaseerd op een door het bestuur van het staatsziekenhuis van Agri verstrekt rapport waarin is verklaard dat is "gezien" dat appellante 18 jaar oud is. Niet duidelijk is hoe dit medische rapport tot stand is gekomen. Voorts is het vonnis gebaseerd op verklaringen van onder ede gehoorde niet met name genoemde getuigen die slechts hebben verklaard dat appellante 17-18 jaar is en op de constatering ter zitting van de districtsrechtbank dat appellante qua uiterlijk 18 jaar oud is.

2.5.    Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het vonnis, naar objectieve maatstaven gemeten, niet is gebaseerd op de mate van betrouwbaarheid die voor de Nederlandse bevolkingsregistratie moet zijn gewaarborgd, nu niet is gebleken op welke wijze de conclusie van het medische rapport tot stand is gekomen. Appellante stelt zich in dit verband op het standpunt dat naar ongeschreven regels van Nederlands internationaal recht buitenlandse uitspraken in beginsel in Nederland worden erkend. Zij betoogt dat het uitgangspunt daarom dient te zijn, dat een buitenlands vonnis gevolgd wordt. Voorts betoogt appellante dat het medisch rapport gebaseerd is op bij haar verricht röntgenonderzoek en dat een dergelijk onderzoek in de rechtspraak als bruikbaar en betrouwbaar is aanvaard.

    Verder heeft de rechtbank, aldus appellante, ten onrechte overwogen dat de getuigenverklaringen onvoldoende zekerheid bieden omtrent de exacte geboortedatum van appellante nu deze verklaringen onder ede zijn afgelegd.

    Tot slot stelt appellante zich op het standpunt dat de openbare orde er juist mee gediend is de gegevens te ontlenen aan het vonnis, aangezien haar persoonsgegevens in de basisadministratie van Turkije aan de hand van dit vonnis zijn gewijzigd en appellante thans een Turks paspoort bezit met de gewijzigde geboortedatum.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraken van 27 april 2005, inzake no. 200409386/1 en 20 juli 2005, inzake no. 200501437/1, blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet GBA (TK 1988/1989, 21 123, nr. 3, p. 45) dat artikel 37, tweede lid, van deze wet er onder meer toe strekt te voorkomen dat gegevens betreffende de burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie worden opgenomen, indien bij het tot stand komen van het brondocument naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht elementaire processuele regels niet in acht zijn genomen. Daarbij is als een van de eisen waaraan een buitenlandse rechterlijke uitspraak in dit verband moet voldoen, vermeld dat deze er blijk van moet geven op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens te zijn gebaseerd. Dit betekent derhalve dat, anders dan appellante betoogt, de buitenlandse uitspraak niet zonder meer wordt gevolgd.

2.6.1.    Uit het vonnis blijkt dat de Turkse rechtbank zich heeft gebaseerd op een medisch rapport van het staatsziekenhuis van Agri, waarin na onderzoek van het fysieke voorkomen van appellante en van botgrafieken wordt geconcludeerd dat die in overeenstemming zijn met die van een persoon met een leeftijd van achttien jaar. Voor het bepalen van de exacte leeftijd en daarmee de geboortedatum biedt dit rapport echter geen grond, terwijl het rapport voorts enige toelichting of nadere motivering ontbeert. Bovendien zijn de genoemde grafieken niet bij het rapport gevoegd. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het rapport onvoldoende betrouwbare gegevens oplevert.

2.6.2.    De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de getuigenverklaringen, zoals weergegeven in het vonnis, onvoldoende zekerheid bieden omtrent de exacte geboortedatum van appellante. Dat die verklaringen onder ede zijn afgelegd, doet daaraan niet af. Uit het vonnis blijkt ook niet wie als getuigen zijn gehoord noch hoe oud de getuigen zijn. Appellante heeft in beroep en in hoger beroep enige andere schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd. Daargelaten of deze verklaringen voldoende objectief zijn om als bewijs voor de door appellante voorgestane geboortedatum te dienen, kunnen deze verklaringen niet worden aangemerkt als een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA.

2.6.3.    Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het vonnis van de Turkse rechtbank niet is gebaseerd op, naar objectieve maatstaven gemeten, betrouwbare gegevens. Appellante heeft geen overtuigend bewijs geleverd van de onjuistheid van de in 1996 geregistreerde aan het paspoort van appellante ontleende gegevens. Door of namens appellante is ook nimmer omtrent de juistheid van haar geboortedatum een voorbehoud gemaakt. Mitsdien verzet de Nederlandse openbare orde zich thans tegen wijziging van de in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde geboortedatum van appellante en was er voor het college, gezien de dwingende formulering van artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA, geen ruimte om op basis van het vonnis van de Turkse rechtbank tot de door appellante gewenste wijziging over te gaan. Het belang dat appellante, gelet op de thans uiteenlopende geboortejaren in de basisadministratie en in haar Turkse paspoort, heeft bij deze wijziging, kon derhalve bij de beslissing van het college geen rol spelen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                            w.g. Haverkamp

Voorzitter                               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

306-384.