Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200605462/1, 200605467/1, 200605469/1, 200605470/1, 200605472/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 4 november 2005 heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van zuren van galvanisatiebaden door NedCoat Groningen B.V., NedCoat Surhuisterveen B.V., NedCoat Amsterdam B.V., NedCoat Alblasserdam B.V. en NedCoat Mook B.V. (hierna: NedCoat) naar Revatech S.A. (hierna: Revatech) te België.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/1154
JAF 2007/23 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605462/1, 200605467/1, 200605469/1, 200605470/1, 200605472/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NedCoat Groningen B.V.", gevestigd te Groningen,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NedCoat Surhuisterveen B.V.", gevestigd te Surhuisterveen,

3.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NedCoat Amsterdam B.V.", gevestigd te Amsterdam,

4.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NedCoat Alblasserdam B.V.", gevestigd te Alblasserdam,

5.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"NedCoat Mook B.V.", gevestigd te Mook,

6.    de besloten vennootschap naar Belgisch recht "Revatech S.A.", gevestigd te Engis (België),

appellanten,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 4 november 2005 heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van zuren van galvanisatiebaden door NedCoat Groningen B.V., NedCoat Surhuisterveen B.V., NedCoat Amsterdam B.V., NedCoat Alblasserdam B.V. en NedCoat Mook B.V. (hierna: NedCoat) naar Revatech S.A. (hierna: Revatech) te België.

Bij besluiten van 13 juni 2006 heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brief van 21 juli 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, [directeur] van NedCoat Group B.V., E. van Rijswijk en ir. D.A. Hoogwater, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.J. Geurts, ambtenaar van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en ing. A. Brouwer en D.J.M. Kunst, beiden werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten NedCoat hebben kenbaar gemaakt voornemens te zijn om op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 zuren van  galvanisatiebaden over te brengen naar appellante Revatech te België.

2.2.    Verweerder heeft bij de bestreden besluiten zijn primaire besluiten van 4 november 2005 gehandhaafd, waarbij hij op grond van de Verordening bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van zuren van galvanisatiebaden (hierna: beitszuren) naar België wegens een onjuiste indeling op de kennisgevingsformulieren met kenmerken NL 116978, NL 116979, NL 116980, NL 116981 en NL 116982. Hij heeft hieraan de overweging ten grondslag gelegd dat in de kennisgevingen het doel van de overbrenging van de afvalstoffen als een handeling van nuttige toepassing is aangemerkt, terwijl het zijns inziens gaat om een handeling van verwijdering. Hiertoe betoogt verweerder onder meer dat de bij appellante Revatech aanwezige ONO-installatie is aan te merken als een verwijderingsinstallatie. Het primaire doel van de ONO-installatie is volgens verweerder namelijk de bewerking van metaalhoudende afvalwaterstromen tot een loosbaar product. Het inzetten van de over te brengen beitszuren in de ONO-installatie heeft niet als doel om deze in plaats van primaire grondstoffen toe te passen, maar om deze te verwerken op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze, aldus verweerder.  Dat zeswaardig chroom door de inzet van beitszuren wordt omgezet in driewaardig chroom is volgens verweerder te beschouwen als een gunstig neveneffect, maar houdt niet in dat sprake is van een handeling van nuttige toepassing.

2.3.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van afvalstoffen. Zij betwisten dat sprake is van verwijdering van de over te brengen afvalstoffen. De ONO-installatie is weliswaar aan te merken als een verwijderingsinstallatie met betrekking tot de chroomzuren, maar dit is niet van belang, aldus appellanten. Van belang is volgens hen wat het belangrijkste doel is van de inzet van de beitszuren. In dit verband voeren zij aan dat niet de beitszuren een behandeling in de ONO-installatie ondergaan, maar uitsluitend de chroomzuren, hetgeen door verweerder onvoldoende wordt onderkend. Het zeswaardig chroom wordt met behulp van het in de beitszuren aanwezige ijzer omgezet naar het minder milieubelastende driewaardig chroom, aldus appellanten. Het belangrijkste doel van de inzet van de beitszuren is derhalve het besparen van primaire grondstoffen, aangezien appellante Revatech dankzij de inzet van de beitszuren geen ijzersulfaat meer hoeft te kopen, aldus appellanten. Tevens wordt volgens appellanten door de inzet van de beitszuren primair zuur bespaard. Gelet op deze besparing van primaire grondstoffen gaat het volgens appellanten om een handeling van nuttige toepassing. Daarnaast betogen appellanten dat, indien de beitszuren niet op deze wijze zouden kunnen worden toegepast, de beitszuren een aparte behandeling in de ONO-installatie zouden moeten ondergaan. In dat geval ontstaat er een dubbele hoeveelheid filterkoek, zodat ook om deze reden sprake is van een handeling van nuttige toepassing, aldus appellanten. Verder voeren appellanten aan dat verweerder ten onrechte voorbij gaat aan de inhoud van het rapport "Beschouwing met betrekking tot het gebruik van beitszuur bij de verwerking van chroombaden" van de Technische Universiteit Delft van 2 maart 2006.

2.4.    Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 13 februari 2003 in de zaak C-458/00 (Commissie/Luxemburg) volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een handeling als een handeling van nuttige toepassing of als een handeling van verwijdering moet worden aangemerkt, bepalend is wat het hoofddoel is van de betrokken installatie. Hierbij is van belang, zo volgt uit het arrest, met het oog waarop de betrokken installatie is ontworpen.

2.5.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het hoofddoel van de onderhavige ONO-installatie de bewerking van metaalhoudende afvalwaterstromen tot een loosbaar product. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de onderhavige ONO-installatie moet worden aangemerkt als een installatie die is ontworpen met het oog op verwijdering van afvalstoffen, hetgeen door appellanten ook wordt erkend, zodat de inzet van de onderhavige beitszuren moet worden aangemerkt als een handeling van verwijdering. Dat, zoals appellanten betogen, door de inzet van de beitszuren bij de behandeling van de chroomzuren primaire grondstoffen worden bespaard en dat op grond daarvan sprake zou zijn van een handeling van nuttige toepassing, wat daarvan ook zij, maakt dit, gezien het arrest van het Hof van 13 februari 2003, niet anders.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder in zoverre terecht bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van de in de kennisgevingen bedoelde afvalstoffen op grond van een onjuiste indeling op de kennisgevingsformulieren.

2.6.    De beroepen zijn ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd             w.g. Van Leeuwen

Voorzitter                                     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

373-493.