Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
200606948/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2004 heeft appellant (hierna: de minister) besloten de behandeling van het verzoek van [verzoeker] om voortzetting van de huursubsidie voor het tijdvak 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606948/1.

Datum uitspraak: 14 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 06/157 BELEI van de rechtbank Almelo van 23 augustus 2006 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2004 heeft appellant (hierna: de minister) besloten de behandeling van het verzoek van [verzoeker] om voortzetting van de huursubsidie voor het tijdvak 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 te staken.

Bij besluit van 19 december 2005 heeft de minister het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 17 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 november 2006 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

Bij brief van 2 januari 2007 heeft de minister een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H. Iepenburg, ambtenaar ten departemente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw), zendt de minister over een subsidietijdvak een door hem vastgesteld huursubsidiebericht of een beperkt huursubsidiebericht aan de huurders die over het subsidietijdvak voorafgaand aan het in de aanhef genoemde subsidietijdvak een huursubsidiebericht of een beperkt huursubsidiebericht hebben ontvangen, waarna in eerstgenoemd tijdvak positief is beschikt, uiterlijk 1 juli van elk jaar.

   Ingevolge artikel 30aa, eerste lid, van de Hsw, zendt een huurder, indien hij een beperkt huursubsidiebericht ontvangt, de ontbrekende gegevens binnen vier weken na de verzenddatum van dat bericht aan de minister.

   Ingevolge het tweede lid stelt de minister, indien de huurder niet voldoet aan het eerste lid, ambtshalve een termijn van ten hoogste vier weken vanaf de verzenddatum van de kennisgeving, binnen welke alsnog aan dat lid kan worden voldaan.

   Ingevolge het vijfde lid beslist de minister, indien de huurder niet heeft voldaan aan het tweede lid, binnen acht weken na het verstrijken van de in dat lid bedoelde termijn.

   Ingevolge artikel 30ab, eerste lid, van de Hsw, wordt, indien de gegevens bedoeld in artikel 30aa, eerste lid, na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 30aa, tweede lid, door de huurder worden ingediend, geen huursubsidie toegekend voor de kalendermaand waarin de peildatum valt, de kalendermaand waarin die gegevens worden ingediend en de tussenliggende kalendermaanden.

   Ingevolge het derde lid beslist de minister binnen acht weken nadat de huurder de gegevens, bedoeld in het eerste lid, heeft ingediend. Indien de huurder die gegevens volledig indient voordat de minister toepassing heeft gegeven aan artikel 30aa, vijfde lid, blijft dat lid buiten toepassing.

2.2.     De minister betoogt dat de rechtbank het besluit van 19 december 2005 ten onrechte wegens strijd met de artikelen 30aa, tweede en vijfde lid, en 30ab, eerste lid, van de Hsw heeft vernietigd omdat de minister met de overgelegde computeruitdraai niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 28 juli 2004 een kennisgeving aan [verzoeker] is verzonden en derhalve niet aannemelijk is geworden dat hij in de gelegenheid is gesteld om de gevraagde ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken. De minister heeft toegelicht dat het printen en verzenden van onder meer brieven als de onderhavige wordt verzorgd door Getronics PinkRoccade te Apeldoorn (hierna: GPR), waarbij volgens een vaste werkwijze wordt gewerkt. GPR maakt met betrekking tot de uitvoering van dit exploitatieproces melding aan de minister conform de afspraken zoals vastgelegd in het Dossier Afspraken en Procedures. Die afspraken houden onder meer in dat iedere storing in het proces aan de minister wordt gemeld. In de rapportage over de maand

juli 2004 is geen melding gemaakt van storingen die betrekking hebben op de onderhavige brief.

2.2.1.    Vast staat dat de minister de onderhavige brief niet aangetekend of met bericht van ontvangst heeft verzonden. Het ligt derhalve op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. De minister heeft daartoe een computeruitdraai overgelegd van de geautomatiseerde administratie, waarin de naam en het adres van [verzoeker] correct zijn vermeld en voorts de datum van de brief is aangegeven. Uit de daarbij aangegeven aanduiding "RAP" kan worden afgeleid dat sprake is van een rappelbrief. Gelet op de omstandigheid dat verder niet is gebleken van problemen bij de verwerking en verzending van de op die dag aangemaakte en verzonden brieven, terwijl [verzoeker] het aan de brief voorafgegane beperkt huursubsidiebericht van 16 juni 2004 en het besluit van 8 september 2004, die op dezelfde wijze zijn verwerkt en verzonden, wel heeft ontvangen, heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat deze rappelbrief op 28 juli 2004 aan [verzoeker] is verzonden.

   Nu [verzoeker] voorts heeft volstaan met de loutere ontkenning dat hij de brief van 28 juli 2004 heeft ontvangen, is van een niet ongeloofwaardige ontkenning geen sprake, zodat de minister niet aannemelijk behoefde te maken dat bedoelde brief wel is ontvangen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld om de gevraagde ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken en heeft het besluit ten onrechte vernietigd. Het betoog slaagt.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Afdeling als volgt.

2.4.    Op 16 juni 2004 heeft de minister aan [verzoeker] een huursubsidiebericht gezonden met de mededeling dat de huurgegevens van diens woning nog niet bekend zijn en met het verzoek om de verhuurder de ontbrekende gegevens in te laten vullen op het reactieformulier en dit formulier binnen vier weken terug te sturen.

   Bij brief van 28 juli 2004 heeft de minister aan [verzoeker] medegedeeld dat de gevraagde gegevens nog steeds ontbreken en is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om deze alsnog binnen vier weken toe te zenden.

   Bij besluit van 8 september 2004 heeft de minister aan [verzoeker] medegedeeld dat de verdere behandeling van het verzoek tot voortzetting van huursubsidie aan [verzoeker] voor het tijdvak 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 wordt gestaakt omdat [verzoeker], ondanks een herhaald verzoek van de kant van de minister daartoe, in gebreke is gebleven de ontbrekende gegevens toe te zenden.

2.5.    [verzoeker] betoogt in beroep dat hij het formulier dat de minister bij het huursubsidiebericht van 16 juni 2004 aan hem heeft toegezonden wel degelijk tijdig binnen de gestelde termijn heeft geretourneerd en dat hem niet kan worden verweten dat de minister dit formulier heeft zoek gemaakt.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. In de bezwaarfase is verklaard dat de mogelijkheid bestaat dat het reactieformulier nimmer is teruggestuurd in verband met een verslechterende mentale gesteldheid van [verzoeker]. Nu geen eenduidige verklaringen zijn afgelegd omtrent de tijdige retournering van het reactieformulier, is niet aannemelijk gemaakt dat het formulier wel is teruggezonden, maar op het ministerie is zoekgeraakt.

2.6.    [verzoeker] betoogt subsidiair dat de minister ten onrechte niet heeft besloten tot continuering van de huursubsidie, nu hem vanwege zijn gezondheidsproblemen niet valt te verwijten dat hij de gevraagde ontbrekende gegevens niet tijdig binnen de bij brief van 28 juli 2004 door de minister gestelde termijn van vier weken heeft ingediend. Bovendien heeft hij deze gegevens reeds voor het nemen van de beslissing op bezwaar ingediend, zodat de minister hieraan ten onrechte voorbij is gegaan.

2.6.1.    Ook dit betoog slaagt niet. Voor het jaarlijks toekennen van huursubsidie geldt een continueringsconstructie, op voorwaarde dat de huurder tijdig de gegevens aanlevert die nodig zijn voor de minister om te kunnen beoordelen of een huurder nog steeds aan de gestelde voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor huursubsidie. Daartoe wordt aan de huurder overeenkomstig het bepaalde in artikel 30aa, eerste en tweede lid, van de Hsw een termijn gesteld. Voldoet een huurder niet tijdig aan die verplichting, dan is de minister gehouden toepassing te geven aan artikel 30aa, vijfde lid, van de Hsw. Het besluit van de minister kan in dat geval niet anders luiden dan dat de continuering van de huursubsidie wordt beëindigd. De Afdeling gaat er dan ook vanuit dat het in bezwaar gehandhaafde besluit, gelet op het stelsel van de wet, aldus moet worden gelezen.

   [verzoeker] heeft op de verzoeken van de minister tot twee maal toe niet gereageerd. De minister diende derhalve overeenkomstig het gestelde in het vijfde lid van artikel 30aa van de Hsw binnen acht weken na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn een besluit te nemen. De Hsw biedt geen grondslag voor het oordeel dat de door [verzoeker] gestelde gezondheidsproblemen de toepassing van artikel 30aa, vijfde lid, van de Hsw konden stuiten. Het alsnog verstrekken van de benodigde gegevens na afloop van die periode kan alleen dan tot het buiten toepassing laten door de minister van artikel 30aa, vijfde lid, van de Hsw leiden, indien de gegevens volledig zijn ingediend voordat de minister ingevolge laatstgenoemd artikel een besluit heeft genomen. Daarvan was geen sprake, nu de minister op 8 september 2004 reeds had beslist tot beëindiging van continuering van de huursubsidie, terwijl de gevraagde gegevens eerst daarna in de bezwaarfase op 24 september 2004 zijn ingediend. [verzoeker] restte derhalve nog slechts de mogelijkheid de nadien bekend geworden gegevens bij een nieuwe aanvraag in te dienen, hetgeen blijkens de stukken ook is gebeurd. Het betoog slaagt niet.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 augustus 2006 in zaak no. 06/157 BELEI;

III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen                       w.g. Larsson-van Reijsen

Lid van de enkelvoudige kamer                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007

344