Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
200607260/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging looptijd verblijfsvergunning / studie

Onbetwist is dat de gevraagde verlenging in het voorliggende geval ziet op de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003 en daardoor samenvalt met het studiejaar 2002-2003. Evenmin is in geding dat de vreemdeling zich voor dit studiejaar wel en voor het daaropvolgende studiejaar 2003-2004 niet heeft ingeschreven.

De minister heeft het feit dat de vreemdeling zich niet meer heeft ingeschreven voor het studiejaar 2003-2004 ten onrechte ten grondslag gelegd aan zijn besluit tot afwijzing van de gevraagde verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Op het moment waarop de bij besluit van 20 november 2001 verleende verblijfsvergunning afliep en zij om verlenging vroeg, voldeed de vreemdeling aan de voornoemde beperking. Eerst op 1 september 2003 voldeed zij daar niet meer aan. Maar op de daarop volgende periode ziet de aanvraag niet.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenwet 2000 26
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607260/1.

Datum uitspraak: 7 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/45442 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 september 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2004 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 november 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn eerste grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de aanvraag om verlenging betrekking heeft op het studiejaar 2002-2003, bij de beslissing op bezwaar de omvang van de heroverweging beperkt is in die zin dat hij niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen dat de vreemdeling sinds augustus 2003 niet meer als studente stond ingeschreven waardoor zij niet meer voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend.

2.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge het tweede lid wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) houdt de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, bedoelde beperking verband met het volgen van een studie.

Ingevolge artikel 3.57 van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

2.1.2. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar bij besluit van 20 november 2001 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel "verblijf in het kader van (de duur van de nog resterende) studie Marketing Management aan de Hogeschool van [plaatsnaam]". De geldigheidsduur van deze vergunning liep af op 1 september 2002.

Onbetwist is dat de gevraagde verlenging in het voorliggende geval ziet op de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003 en daardoor samenvalt met het studiejaar 2002-2003. Evenmin is in geding dat de vreemdeling zich voor dit studiejaar wel en voor het daaropvolgende studiejaar 2003-2004 niet heeft ingeschreven.

De minister heeft het feit dat de vreemdeling zich niet meer heeft ingeschreven voor het studiejaar 2003-2004 ten onrechte ten grondslag gelegd aan zijn besluit tot afwijzing van de gevraagde verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Op het moment waarop de bij besluit van 20 november 2001 verleende verblijfsvergunning afliep en zij om verlenging vroeg, voldeed de vreemdeling aan de voornoemde beperking. Eerst op 1 september 2003 voldeed zij daar niet meer aan. Maar op de daarop volgende periode ziet de aanvraag niet.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister het besluit, door daaraan ten grondslag te leggen dat de vreemdeling sinds augustus 2003 niet meer als studente stond ingeschreven en zij derhalve niet langer voldeed aan de beperking waaronder de vergunning is verleend, onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief faalt.

2.2. In de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het kader van de zorgvuldige feitenvergaring nader onderzoek had dienen te verrichten naar de inkomenspositie van de garantsteller. Hiertoe voert de minister aan dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de aanvraag is gegrond op feiten en omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.2.2. Gelet op artikel 26, tweede lid, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij aan alle voorwaarden voor verlenging voldoet. In het besluit van 8 oktober 2002 heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de vreemdeling over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Wet op de Studiefinanciering beschikt. In hetgeen de vreemdeling in bezwaar daaromtrent heeft aangevoerd, heeft de minister terecht geen grond gevonden om tot een ander standpunt te komen. De door de vreemdeling overgelegde verklaring met bijlage van een andere garantsteller en de niet onderbouwde verklaringen tijdens de hoorzitting, heeft de minister daarvoor in redelijkheid onvoldoende kunnen achten. De stukken die in dit verband in beroep zijn overgelegd had de rechtbank buiten beschouwing moeten laten, aangezien de minister zijn besluit daarop niet heeft kunnen baseren en niet aannemelijk is dat deze niet reeds in de bestuurlijke fase overgelegd hadden kunnen worden. Zij bieden derhalve ook geen grond de minister op te dragen nader onderzoek te doen.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Afdeling, aangezien hetgeen in beroep is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat de minister de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning ten onrechte heeft afgewezen, het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 september 2006 in zaak no. AWB 04/45442;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. De Vink

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007

154-532.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak