Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
200607024/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ivoorkust / slavernij / bescherming van de autoriteiten

Uit het ambtsbericht valt echter niet af te leiden dat slavernij op instigatie of met goedvinden van de Ivoriaanse autoriteiten zou plaatsvinden en om die reden het inroepen van de bescherming van de autoriteiten op voorhand zinloos zou zijn. Dat ten aanzien van Ivoorkust een categoriaal beschermingsbeleid wordt gevoerd, maakt dit niet anders, nu de vraag of een asielzoeker op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de Vw 2000, voor toelating in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van de door hem aangevoerde individuele omstandigheden en het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ziet op de algemene situatie in het land van herkomst, daargelaten de individuele situatie van de vreemdeling.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607024/1.

Datum uitspraak: 1 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/12988 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 29 augustus 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2006 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in het eerste deel van grief 1 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2.2. In het tweede deel van grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank heeft miskend dat het aan de vreemdeling en niet aan de minister is om aannemelijk te maken dat hij niet de bescherming van de Ivoriaanse autoriteiten kon krijgen en dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2002 in zaak no. 200202206/1, gepubliceerd in JV 2002/306 en NAV 2002/256) mag van een vreemdeling worden gevergd dat hij zich, alvorens hij zijn land van herkomst verlaat om elders bescherming te krijgen, tot de autoriteiten van dat land wendt om bescherming te krijgen, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest. Indien dit laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten aannemelijk maken dat de autoriteiten van het land van herkomst niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

2.2.2. In het beroepschrift heeft de vreemdeling gesteld dat het op voorhand zinloos is de bescherming van de Ivoriaanse autoriteiten in te roepen, omdat in Ivoorkust, ondanks het wettelijk verbod op slavernij, op grote schaal slavernij voorkomt, hij tot de Senoufo bevolkingsgroep behoort en de autoriteiten de Senoufo bevolking discrimineren alsmede dat ten aanzien van Ivoorkust een beleid van categoriale bescherming wordt gevoerd. Hij heeft die stelling evenwel niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft overwogen dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Ivoorkust, van 7 september 2001, blijkt dat de meerderheid van de bevolking de wetten niet kent en dat de wetten onvoldoende worden toegepast, maar heeft daarbij uit het oog verloren dat dit wordt opgemerkt in het kader van de Conventie over de Rechten van het Kind. Uit het ambtsbericht valt echter niet af te leiden dat slavernij op instigatie of met goedvinden van de Ivoriaanse autoriteiten zou plaatsvinden en om die reden het inroepen van de bescherming van de autoriteiten op voorhand zinloos zou zijn. Dat ten aanzien van Ivoorkust een categoriaal beschermingsbeleid wordt gevoerd, maakt dit niet anders, nu de vraag of een asielzoeker op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de Vw 2000, voor toelating in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van de door hem aangevoerde individuele omstandigheden en het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ziet op de algemene situatie in het land van herkomst, daargelaten de individuele situatie van de vreemdeling.

2.2.3. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vreemdeling, voordat hij zijn land heeft verlaten, geen poging heeft gedaan om bescherming te krijgen van de autoriteiten van zijn land van herkomst, kan niet worden gezegd dat de minister, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet in redelijkheid aan hem heeft kunnen tegenwerpen dat hij dat niet heeft gedaan. Het tweede deel van grief 1 slaagt.

2.3. De grieven 2 en 3 missen zelfstandige betekenis.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu uit het voorgaande volgt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de autoriteiten van Ivoorkust geen bescherming kan inroepen tegen een eventueel risico van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 februari 2006 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 29 augustus 2006 in zaak no. AWB 06/12988;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007

91-502.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak