Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
200606407/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 6 december 2005 heeft de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) appellant ervan op de hoogte gesteld dat zijn personalia en reisdocumentgegevens in het register paspoortsignaleringen zijn opgenomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Paspoortwet
Paspoortwet 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 651
Module GBA 2007/603
ABkort 2007/392
JV 2007/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606407/1.

Datum uitspraak: 7 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], Groot-Brittannië,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/4722 en 06/1259 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij brief van 6 december 2005 heeft de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) appellant ervan op de hoogte gesteld dat zijn personalia en reisdocumentgegevens in het register paspoortsignaleringen zijn opgenomen.

Bij besluit van 5 april 2006 heeft de Minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2006, verzonden op 19 juli 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 augustus 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. drs. J.W. Severijnen en drs. A.M. van der Krabben, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 47, eerste lid, en onder a, van de Paspoortwet vervalt een reisdocument van rechtswege, indien de houder van het reisdocument, waarin staat vermeld dat deze de Nederlandse nationaliteit bezit, het Nederlanderschap heeft verloren.

   Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, wordt de houder van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder a, hiervan op het moment van de inhouding in kennis gesteld door de tot inhouding van het reisdocument bevoegde autoriteit.

   Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, kan onze Minister besluiten dat de houder van een reisdocument dat op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a van rechtswege is vervallen, wordt vermeld in het register, bedoeld in artikel 25, derde lid.

   Ingevolge artikel 54, eerste lid en onder a, wordt een reisdocument ingehouden, indien het van rechtswege is vervallen ingevolge artikel 47 of 48.

   Ingevolge artikel 56, voor zover hier van belang, levert de houder van een reisdocument dit zo spoedig mogelijk in bij een tot inhouding bevoegde autoriteit, indien het reisdocument of een daarin opgenomen beschrijving van rechtswege is vervallen.

   Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2.    Bij brief van 18 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de Minister verzocht de personalia en reisdocumentgegevens van appellant in het register paspoortsignaleringen op te nemen. Redengevend voor dit verzoek was dat het paspoort van appellant op grond van artikel 47, eerste lid, onder a, van de Paspoortwet van rechtswege is vervallen omdat door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is vastgesteld dat appellant het Nederlanderschap heeft verloren en hij weigert - ondanks het verzoek van die Minister - het verstrekte paspoort in te leveren.

   Bij brief van 6 december 2005 is appellant, voor zover hier van belang, door de Minister van de opname in het register paspoortsignaleringen op de hoogte gesteld.

2.3.    In geschil is de vraag of de beslissing van de Minister om appellant op grond van artikel 47, vierde lid, van de Paspoortwet in het register paspoortsignaleringen te plaatsen, zoals bekend gemaakt bij brief van 6 december 2005, een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe is in de aangevallen uitspraak overwogen dat het opnemen van voormelde gegevens van appellant in het register paspoortsignaleringen een administratieve handeling is die geen verandering teweeg brengt in de rechtsverhouding tussen de Minister als bestuursorgaan en appellant, zodat de mededeling aan appellant dat zijn gegevens zijn opgenomen in dat register geen rechtsgevolg heeft.

2.4.    Appellant bestrijdt dit oordeel. Hij betoogt dat artikel 47, vierde lid, van de Paspoortwet letterlijk spreekt van 'besluiten', hetgeen duidt op een besluit in de zin van de Awb en dat het woord 'kan' duidt op een discretionaire bevoegdheid, zodat de Minister een eigen vergewis- en onderzoeksplicht heeft ten aanzien van het (vermeende) niet verkrijgen van het Nederlanderschap. Als gevolg van de registratie wordt bij de instanties die inzage kunnen krijgen in het register de indruk gewekt dat het paspoort is vervallen, terwijl zulks onjuist kan zijn, aldus appellant.

2.5.    De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de registratie van voormelde gegevens van appellant in het register paspoortsignaleringen op grond van artikel 47, vierde lid, van de Paspoortwet geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Niet in geding is dat door de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie is geconstateerd dat appellant het Nederlanderschap nooit heeft verkregen dan wel heeft verloren. De juistheid van die constatering is in dit geding niet aan de orde. Ten gevolge van die constatering is het paspoort van appellant op grond van artikel 47, eerste lid, en onder a, van de Paspoortwet van rechtswege vervallen. Alsdan dienen de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 54, eerste lid en onder a, van die wet dat paspoort in te houden en dient appellant op grond van artikel 56 van die wet zijn paspoort bij die autoriteiten in te leveren. De registratie leidt er slechts toe dat de bevoegde autoriteiten worden geïnformeerd over het vervallen van het paspoort van appellant en over de verplichting om dat paspoort in te houden. De registratie doet derhalve niets toe of af aan de reeds van rechtswege ingetreden rechtsgevolgen van de constatering van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en brengt ook overigens geen verandering teweeg in de rechtspositie van appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft betoogd leidt niet tot een ander oordeel. Gelet ook op de strekking van artikel 47, vierde lid, van de Paspoortwet is duidelijk dat aan het daarin opgenomen begrip 'besluiten' een andere betekenis moet worden toegekend dan aan het begrip 'besluit' in de zin van de Awb. Voorts geeft het woord 'kan' in die bepaling slechts aan dat aan de Minister de keuzemogelijkheid is gelaten om al dan niet door middel van (feitelijke) registratie bekendheid te geven aan het vervallen van het paspoort.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007

369