Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
200600709/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Heerhugowaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2005, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Vork" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 9
Besluit luchtkwaliteit
Besluit luchtkwaliteit 5
Besluit luchtkwaliteit 7
Besluit luchtkwaliteit 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/278
OGR-Updates.nl 1001382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600709/1.

Datum uitspraak: 7 maart 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Actiegroep Leefbaar Heerhugowaard, gevestigd te Heerhugowaard,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats], en [vennoot A] en [vennoot B], voornoemd,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Heerhugowaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2005, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Vork" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 20 december 2005, kenmerk 2005-26310, over de goedkeuring van dat bestemmingsplan beslist.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2006, en appellanten sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 10 februari 2006. Appellanten sub 2 hebben dat gedaan bij brief van 27 februari 2006.

Bij brief van 24 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 juli 2006

(hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders, gedateerd 3 april 2006. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant sub 1. Ook dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2006, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door ir. H.P. Koster en mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Heerhugowaard, vertegenwoordigd door J.W. de Boer, wethouder van de gemeente, mr. R.J. Piet, A. Kögeler, M. Zwart, drs. W. Kuné, ir. W. Berkhout, G.N. Klijn en ing. N.R. Ytema, allen ambtenaren in dienst van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in de realisering van een regionaal bedrijventerrein. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 120 hectare en wordt in het noorden begrensd door de Hasselaarsweg, in het oosten door de Middenweg, in het zuiden door het sportcomplex de Vork en in het westen door de spoorlijn Alkmaar-Den Helder, met aan de westkant daarvan het bedrijventerrein Zandhorst.

Procedureel aspect

2.4.    De beroepsgrond van appellant sub 1 inzake het tijdstip van de terinzagelegging van het goedkeuringsbesluit heeft betrekking op een omstandigheid van na het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Zij kan daarom geen grond vormen voor de vernietiging van dat besluit.

Het beroep van [appellante sub 2] en [vennoot A] en [vennoot B]

Standpunt van appellanten

2.5.    Appellanten voeren aan dat verweerder, door aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduidingen "B2" (categorie 1 en 2) en "t" (transportbedrijf), zoals met rode belijning op de plankaart is weergegeven, slechts de in het bestreden besluit gebezigde overwegingen ten grondslag te leggen, heeft miskend dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om een bedrijfswoning op hun perceel op te richten.

   Daarnaast betogen zij dat verweerder, door goedkeuring te verlenen aan het plandeel met de bestemming "Groen en water" ten noorden en ten oosten van eerdergenoemd plandeel, heeft miskend dat het plan in zoverre ten onrechte niet in een tweede ontsluiting van hun perceel voorziet. Verder betogen zij dat deze als bufferzone bedoelde groenstrook te breed is en ten onrechte grotendeels op hun gronden is voorzien. Volgens hen kan ook op andere wijze eventuele milieubelasting vanwege hun bedrijf op de nabijgelegen woningen worden ondervangen.

Het bestreden besluit

2.6.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduidingen "B2" (categorie 1 en 2) en "t" (transportbedrijf), zoals met rode belijning op de plankaart is weergegeven, in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad de onderneming van appellanten ten onrechte niet als categorie 3 bedrijf heeft bestemd.

   Verder is volgens verweerder de noodzaak van een bedrijfswoning voor appellanten niet gebleken, zodat hij, voor zover het plan niet voorziet in de mogelijkheid om zodanige woning op te richten, hierin geen aanleiding ziet om goedkeuring aan het plandeel te onthouden.

   Voorts heeft verweerder het plandeel met de bestemming "Groen en water" ten noorden en ten oosten van bovengenoemd plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hij het goedgekeurd. Hij is met de gemeenteraad van oordeel dat de voordelen voor appellanten van een tweede ontsluiting op hun perceel niet tegen de nadelen van een extra inrit op de Hasselaarsweg opwegen. Verder heeft hij zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat de groenstrook niet alleen als buffer tussen de bestemming bedrijven en de woningen dient, maar ook bijdraagt aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein.

De feiten

2.7.    Aan het perceel [locatie] is onder meer de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduidingen "B2" (categorie 1 en 2) en "t" (transportbedrijf) toegekend. Op dit perceel exploiteren appellanten een transportonderneming. De gronden hebben een oppervlakte van ongeveer 17.000 m². Hierop is bedrijfsbebouwing opgericht met een oppervlakte van ongeveer 400 m². De overige gronden worden gebruikt voor de stalling van voertuigen en als manoeuvreerruimte. Ten noorden van het perceel aan de overzijde van de weg liggen enkele woningen. De dichtstbijzijnde ten oosten van dit bedrijfperceel ligt op een afstand van ongeveer 70 meter. Tussen het bedrijfsperceel en deze woning en langs het grootste deel van de noordzijde van het bedrijfsperceel voorziet het plan in een strook met de bestemming "Groen en water".

2.7.1.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Bedrijven" met de nadere aanduiding "B2" (categorie 1 en 2) aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die in de van deze voorschriften deel uitmakende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1 of 2.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Bedrijven" met de nadere aanduiding "t" (transportbedrijf) aangewezen gronden bestemd voor een transportbedrijf.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Groen en water" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, fiets- en voetpaden en watergangen en -partijen.

2.7.2.    Volgens het deskundigenbericht is de Hasselaarsweg een gebiedsontsluitingsweg. Verder staat daarin dat uit het oogpunt van verkeersveiligheid het aantal inritten op een gebiedsontsluitingsweg weliswaar moet worden beperkt, maar een extra inrit op de Hasselaarsweg niet zonder meer behoeft te worden uitgesloten en dat ter plaatse van het betrokken plandeel reeds verharding is aangebracht die als tweede ontsluiting wordt gebruik.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduidingen "B2" (categorie 1 en 2) en "t" (transportbedrijf), waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van appellanten onder meer zijn gericht, is daaraan in zoverre tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, staat echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf, maar ook de hieraan ten grondslag gelegde motivering ter toets.

   De Afdeling vat het betoog van appellanten aldus op, dat zij klagen dat aan de onthouding van goedkeuring aan het genoemde plandeel ten onrechte uitsluitend de in het bestreden besluit gebezigde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

2.8.1.    Verweerder heeft het uitgangspunt van het bestemmingsplan dat de bestemming "Bedrijven" niet voorziet in bedrijfswoningen vanwege de belemmerende werking van die woningen op de bedrijvigheid onderschreven. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat thans noodzaak bestaat om een bedrijfswoning op te kunnen richten. Het in beroep aangevoerde geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid aan de wens van appellanten dat in afwijking van eerdergenoemd uitgangspunt op hun perceel in de mogelijke oprichting van een bedrijfswoning wordt voorzien voorbij heeft kunnen gaan .

   Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder, door aan de motivering van de onthouding van goedkeuring ten onrechte niet tevens de door appellanten aangevoerde reden ten grondslag te leggen, het bestreden besluit in zoverre onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd of anderszins heeft genomen in strijd met het recht.

   Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.2.    Wat betreft het betoog van appellanten dat het plandeel met de bestemming "Groen en water" ten onrechte niet in een tweede ontsluiting op hun perceel voorziet, overweegt de Afdeling als volgt. Appellanten hebben aangevoerd dat een tweede ontsluiting van hun terrein uit een oogpunt van veiligheid gewenst is, omdat daarmee het aantal bewegingen met vrachtwagens op het terrein kan worden beperkt. Niet gebleken is dat de gemeenteraad dit aspect bij zijn afweging van de belangen heeft betrokken. De enkele door de gemeenteraad gestelde omstandigheid dat de bewoners van een woning aan de overzijde van de weg lichthinder kunnen ondervinden van inschijnende koplampen, levert geen draagkrachtige motivering op voor het afwijzen van de mogelijkheid van een tweede ontsluiting, nu niet is gebleken dat bij het bepalen van de ligging van een tweede ontsluiting geen rekening met mogelijke lichthinder voor omwonenden kan worden gehouden. Verder behoeft volgens het deskundigenbericht een tweede ontsluiting op de Hasselaarsweg uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet zonder meer te worden uitgesloten. Voorts heeft de gemeenteraad in zijn reactie op het deskundigenbericht te kennen gegeven dat hij in het kader van het ingevolge artikel 30 van de WRO op te stellen plan tevens zal onderzoeken of in een tweede ontsluiting ten behoeve van het perceel van appellanten kan worden voorzien. Uit het vorenstaande volgt dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan de belangen van appellanten op dit punt onvoldoende heeft afgewogen. Dit heeft verweerder door daaraan geen goedkeuring te onthouden miskend.

2.8.3.    Eigendomsverhoudingen zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis. Aan zulke verhoudingen kan echter betekenis toekomen, indien zij van zodanige aard zijn, dat de verwezenlijking van de bestemming binnen de planperiode in verband daarmee niet aannemelijk is.

Gebleken is dat het plandeel met de bestemming "Groen en water" grotendeels in eigendom is aan appellanten en zij deze gronden thans in gebruik hebben voor bedrijfsdoeleinden. Gelet op de doeleindenomschrijving in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, laat deze bestemming een dergelijk gebruik van de gronden niet toe. De gemeenteraad heeft ter zitting verklaard dat hij, om realisering van het plan mogelijk te maken, bereid is de gronden minnelijk te verwerven. Appellanten hebben ter zitting verklaard slechts bereid te zijn een klein deel van hun gronden over te dragen. Niet is gebleken dat het voornemen bestaat om, wat betreft het resterende gedeelte van de gronden, over te gaan tot onteigening. Gelet hierop, is onvoldoende aannemelijk dat de toegekende bestemming "Groen en water" binnen de planperiode verwezenlijkt zal worden, zoals in het plan is voorzien. Verweerder heeft zich hiervan ten onrechte geen rekenschap gegeven. Het aanwijzen van een bestemming, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze niet binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt, is niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

2.8.4.    Gelet op het vorenstaande, moet geoordeeld worden dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Groen en water" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond. Uit het vorenstaande volgt voorts dat rechtens nog maar één besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Groen en water", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart.

Het beroep van Actiegroep Leefbaar Heerhugowaard

Noodzaak en financiële uitvoerbaarheid

Standpunt van appellant

2.9.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan de plandelen met de bestemmingen "Bedrijven" en "Verkeersdoeleinden" heeft verleend.

   Hij stelt dat de noodzaak van aanleg van een nieuw bedrijventerrein op de betrokken locatie onvoldoende is aangetoond. In dit verband wijst hij op een onderzoek van TU Delft en onderzoeksbureau Stogo en stelt hij dat op het bedrijventerrein Zandhorst sprake is van leegstaande panden en braakliggend terrein. Hij voert verder aan dat het maatschappelijk draagvlak voor het onderhavige bedrijventerrein ontbreekt.

   Voorts betwist hij de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Hij betwijfelt of de kosten van het aanleggen van de nieuwe infrastructuur en van het aanpassen van de bestaande infrastructuur in de exploitatieopzet zijn verdisconteerd.

Het bestreden besluit

2.10.    Behoudens het plandeel met de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduidingen "B2" (categorie 1 en 2) en "t" (transportbedrijf), zoals met rode belijning op de plankaart is weergegeven en een gedeelte van artikel 4 van de planvoorschriften, heeft verweerder geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft hij het in zoverre goedgekeurd.

   Hij acht aanleg van een nieuw bedrijventerrein noodzakelijk. In dit verband wijst hij op het uitgangspunt in het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord van 25 oktober 2004 (hierna: het streekplan) dat in de eigen regio in voldoende bedrijventerrein moet worden voorzien.

   Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat onderzoek is verricht naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan en daaruit geen aanleiding blijkt om hieraan te twijfelen.

De feiten

2.11.    In de plantoelichting wordt ter toelichting van de noodzaak van de mogelijkheid van het aanleggen van een bedrijventerrein verwezen naar de intergemeentelijke structuurvisie 1995 en het streekplan.

   In het streekplan staat dat het gebied Noord-Holland Noord een scheve woon-werkbalans en een tekort aan direct beschikbaar bedrijventerrein kent. Om de bevolking meer kans op werk in de eigen regio te bieden en de pendelbelasting te verminderen, wordt extra bedrijvigheid gefaciliteerd. Verder staat daar dat tot 2014 in 115 hectare bedrijventerrein dient te worden voorzien en dat voor de langere termijn een planningsopgave bestaat van 360 hectare. De bestaande streekplancapaciteit en de uitbreidingen voor de langere termijn zijn te vinden in onder meer De Vork, aldus het streekplan. In het streekplan staat tevens dat onder meer gelegenheid wordt geven om, naast andere bedrijventerreinen, ook Zandhorst-Oost (ook wel De Vork genaamd) tot een groot regionaal bedrijventerrein uit te bouwen, zodat de hele regio voor de periode tot 2014 over voldoende bedrijventerreinen beschikt.

   In de nadere memorie van het college van burgemeester en wethouders van 3 april 2006 staat dat Alkmaar en Langedijk op dit moment geen uitgeefbare bedrijfsterreinen hebben en Heerhugowaard nog slechts vijf hectare grond heeft om uit te geven.

2.11.1.    In de plantoelichting staat dat de kosten van de noodzakelijke ondertunneling in verband met de ontsluiting van het bedrijventerrein onder het spoor opgenomen worden in de gemeentelijke omslagnota Bovenwijkse Kosten. Verder staat daarin dat de exploitatieopzet met een afdracht per netto uitgeefbare meter grond voor de realisatie van toekomstige bovenwijkse voorzieningen wordt belast. De verwachting is dat met de huidige financiële uitgangspunten voor De Vork ten aanzien van looptijd, inrichtingniveau en uitgifteprijzen een sluitende exploitatieopzet kan worden gemaakt, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Uit hetgeen hiervoor onder 2.11. is overwogen valt af te leiden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het in het streekplan neergelegde provinciale beleid inzake de ontwikkeling van bedrijvigheid in de eigen regio. Het plangebied is op de streekplankaart Planologisch Beleidskader 2004-2014 aangewezen als "regionaal bedrijventerrein". Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op de bestaande bedrijventerreinen en de nog uit te geven bedrijfskavels, zonder het in het plan voorziene bedrijventerrein, in de directe en toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen in de regio kan worden voorzien. De enkele stelling dat uit een onderzoek van de TU Delft en onderzoeksbureau Stogo blijkt dat in Nederland, en derhalve ook in Heerhugowaard, geen behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen bestaat, is daarvoor niet voldoende. Het in beroep aangevoerde geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan de behoefteraming aan bedrijventerreinen, zoals opgenomen in het streekplan en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellant gestelde leegstand op het bestaande bedrijventerrein Zandhorst het gevolg is van een normale economische ontwikkeling. Niet is aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele leegstand op dit bedrijventerrein. Uit de mogelijke beschikbaarheid van gronden op bedrijventerrein Zandhorst heeft verweerder op zichzelf niet hoeven afleiden dat aan het voorziene terrein ondanks voormelde raming geen behoefte bestaat.

   Het betoog faalt in zoverre.

2.12.1.    Het betoog van appellant is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting tevens gericht op de kosten die voortvloeien uit de ondertunneling van de spoorlijn, die noodzakelijk is voor de voorziene ontsluiting van het bedrijventerrein door middel van de Kamerlingh Onnesweg. In dat verband is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad, door appellant niet, althans niet gemotiveerd weersproken, gesteld dat de ondertunneling van de spoorlijn - kort gezegd - financieel is verrekend via de algemene begroting van de gemeente, waarbij ook vanwege het Rijk een financiële bijdrage zal plaatsvinden, en dat de exploitatie van het bestemmingsplan niet met dit infrastructurele werk wordt belast. Volgens de plantoelichting worden deze kosten in de gemeentelijke omslagnota Bovenwijkse Kosten opgenomen. De overige kosten, waar appellant naar verwijst, zoals de reconstructie van de N242, komen evenmin ten laste van de exploitatieopzet van het onderhavige bestemmingsplan.

   Gelet op het vorenstaande, levert het in beroep aangevoerde ook in zoverre geen grond op voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld.

Verkeersafwikkeling en ontsluiting van het plangebied

Standpunt van appellant

2.13.    Appellant voert aan dat het plan niet in een toereikende verkeersafwikkeling voorziet. Hij betoogt dat, gelet op de door hem uitgevoerde berekeningen, realisatie van het bedrijventerrein, zowel op de N242, als op het kruispunt van de Hasselaarsweg met de Middenweg, tot grote verkeersoverlast leidt. Verder wordt volgens hem ten onrechte rekening gehouden met de aanleg van de Westfrisiaweg. Hij voert voorts aan dat uit een memo van het gemeentebestuur blijkt dat ten onrechte de ontsluiting voor het bouwverkeer op de Middenweg in gebruik zal worden genomen als reguliere ontsluiting door te starten met de uitgifte van gronden voordat de ondertunneling van de spoorlijn en daarmee de ontsluiting op de Kamerlingh Onnesweg is gerealiseerd. Verder stelt hij dat, gelet op het aantal ontsluitingen aan de Hasselaarsweg en de Middenweg, deze wegen moeten worden aangemerkt als erftoegangsweg en niet als gebiedsontsluitingsweg. Gelet hierop en op de reeds bestaande drukte op deze wegen, heeft verweerder miskend dat het plan ten onrechte in een ontsluiting van het plangebied op de Hasselaarsweg voorziet, aldus appellant.

Het bestreden besluit

2.14.    Verweerder stelt zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt dat de intensiteit van het verkeer met de realisatie van het plan, gelet op de huidige wegenstructuur, weliswaar de maximale capaciteit van de kruispunten nadert, maar dat die capaciteit door middel van verkeerstechnische aanpassing voldoende kan worden vergroot om in een toereikende verkeersafwikkeling in en rond het plangebied te kunnen voorzien. Verder stelt verweerder dat een tijdelijke ontsluiting voor het bouwverkeer op de Middenweg noodzakelijk is om de infrastructuur in het plangebied te kunnen aanleggen en dat, gelet op de belangrijke verbindingsfunctie die de Hasselaarsweg en de Middenweg vervullen, deze wegen niet als erftoegangsweg kunnen worden aangemerkt.

De feiten

2.15.    Het plangebied wordt ontsloten door één weg in het noorden van het plangebied op de Hasselaarsweg en één in het westen van het plangebied op de Kamerlingh Onnesweg. Deze laatste is voorzien als ongelijkvloerse kruising met de spoorlijn door middel van een tunnel. In het oosten van het plangebied voorziet het plan in een tijdelijke ontsluiting op de Middenweg die tijdens de bouwfase door het bouwverkeer als ontsluiting zal worden gebruikt. Ten slotte voorziet het plan in het noordoosten en in het zuiden in een ontsluiting voor spoedeisende hulp bij calamiteiten.

   Het wegprofiel van de Hasselaarsweg en de Middenweg bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken met een eenzijdig vrij liggend fietspad.

2.15.1.    Volgens het deskundigenbericht zijn de berekeningen die appellant aan zijn betoog dat de capaciteit van het wegennet onvoldoende is om de te verwachten toename van het verkeer te kunnen verwerken ten grondslag heeft gelegd niet representatief. Volgens dat bericht is het door appellant hiervoor gebruikte softwareprogramma "capacito" voor dat doel niet geschikt, nu dit programma voornamelijk bestemd is om de effecten van het plaatsen van een verkeersregelinstallatie te bepalen. Verder staat in het bericht dat appellant bij zijn berekeningen ten onrechte niet van de verkeersintensiteit van het achtste drukste uur van een gemiddelde dag is uitgegaan, maar zich uitsluitend heeft gebaseerd op de spitsuurintensiteiten.

   In het bericht staat voorts dat, uitgaande van het wegprofiel van de Hasselaarsweg en de Middenweg, voor deze wegen grofweg als uitgangspunt een maximale etmaalcapaciteit van 20.000 motorvoertuigen per etmaal kan worden gehanteerd. Gelet op het wegprofiel van, zowel de bestaande wegen, als de nieuwe wegen, het bestaande en het toekomstige wegennet en de intensiteiten genoemd in de geluid- en luchtkwaliteitonderzoeken, zal het voorziene bedrijventerrein niet tot onoverkomelijke problemen leiden met betrekking tot de verkeersafwikkeling, aldus het deskundigenbericht.

2.15.2.    In de nadere memorie van het college van burgemeester en wethouders van 3 april 2006 staat dat de memo, waarnaar appellant in zijn beroepschrift verwijst, ziet op een verkenning van mogelijke ontsluitingen van het plangebied, waaronder een ontsluiting van het plangebied op de Middenweg. Verder staat daarin dat de gemeenteraad alleen een tijdelijke ontsluiting voor bouwverkeer op de Middenweg toelaatbaar acht, omdat een permanente ontsluiting op de Middenweg vanwege het vrachtverkeer naar zijn oordeel tot een onaanvaardbare aantasting van de leefbaarheid in de kern De Noord leidt.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.    Appellant verwijst, ter toelichting van zijn betoog dat de capaciteit van de N242 niet afdoende is voor de vanwege het voorziene bedrijventerrein te verwachten verkeerstoename, tevergeefs naar de Startnotitie MER Sloeweg (N62), Verbetering Verkeersafwikkeling. Niet is gebleken dat de in het plan voorziene situatie zodanig met de uitgangssituatie die aan die notitie ten grondslag ligt overeenkomt, dat de uitgangspunten die appellant daaruit heeft afgeleid onverkort daarop kunnen worden toegepast.

   Verder heeft appellant zijn stelling dat de gemeenteraad onjuiste inschattingen van de verkeersintensiteit hanteert weliswaar in zijn beroepschrift nader toegelicht, doch voldoet het door appellant aangedragen onderzoek niet aan de eisen die aan een dergelijk onderzoek moeten worden gesteld. Zo zijn, zoals valt af te leiden uit hetgeen hiervoor onder 2.15.1. is overwogen, de door appellant uitgevoerde berekeningen volgens het in zoverre niet gemotiveerd bestreden deskundigenbericht niet representatief zijn. Ook het door appellant overgelegde nadere rapport van 1 december 2006 bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de door de gemeenteraad in aanmerking genomen inschattingen van de verkeersintensiteit onjuist zijn. Mede gelet op het deskundigenbericht geeft het in beroep aangevoerde dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestaande wegennet voldoende capaciteit biedt voor de afwikkeling van het te verwachten verkeer. Niet in geschil is dat de intensiteit van het verkeer weliswaar de maximale capaciteit van de kruispunten nadert, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de capaciteit van de kruispunten niet door middel van verkeerstechnische aanpassing kan worden vergroot om na realisatie van het bedrijventerrein te kunnen voorzien in een toereikende verkeersafwikkeling. Niet is gebleken dat hiermee rekening is gehouden in het nadere rapport van 1 december 2006 dat appellant heeft overgelegd. Hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen in het deskundigenbericht is vermeld. Wat betreft de door appellant in dit verband genoemde Westfrisiaweg blijkt uit de stukken dat, ook indien deze weg niet op korte termijn zal worden aangelegd, het bestaande wegennet voldoende capaciteit heeft om de door het plan veroorzaakte verkeerstoename te verwerken.

2.16.1.    Het betoog van appellant dat verweerder heeft miskend dat de tijdelijke ontsluiting voor het bouwverkeer op de Middenweg als reguliere ontsluiting voor het bedrijventerrein zal worden gebruikt, mist feitelijke grondslag. De memo, waar appellant naar verwijst, ziet op een verkenning van mogelijke ontsluitingen van het plangebied. De gemeenteraad heeft gesteld dat deze ontsluiting slechts door bouwverkeer zal worden gebruikt. Het bestemmingsplan voorziet middels de aanduiding "tijdelijke gebiedsontsluiting" slechts in tijdelijk gebruik van de bewuste ontsluitingsweg.

   Voorts heeft verweerder, gelet op de verbindingsfunctie die de Middenweg en de Hasselaarsweg in het gebied vervullen, in navolging van de gemeenteraad beide wegen in redelijkheid als gebiedsontsluitingsweg kunnen aanmerken. Anders dan appellant betoogt, verzet de aard van de Hasselaarsweg zich daarmee niet tegen een toename van het aantal verkeersbewegingen ter plaatse. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het plan ten onrechte in een ontsluiting van het plangebied op de Hasselaarsweg voorziet.

2.16.2.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, en het vorenstaande mede in aanmerking genomen, geeft het in beroep aangevoerde dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet aan een toereikende verkeersafwikkeling en ontsluiting van het plangebied in de weg staat.

Luchtkwaliteit

Standpunt van appellant

2.17.    Appellant voert aan dat verweerder heeft miskend dat het plan in strijd is met het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005). Volgens appellant heeft verweerder het vervolgonderzoek naar de luchtkwaliteit van 21 november 2005 ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken, nu dit van na de vaststelling van het bestemmingsplan dateert. Hij stelt dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden. Hij voert in dit verband aan dat bij het luchtkwaliteitsonderzoek onjuiste invoergegevens zijn gebruikt. Verder betoogt hij dat de zogenoemde zeezoutcorrectie, geregeld in artikel 5 van het Blk 2005, in strijd is met Europees recht.

Het bestreden besluit

2.18.    Volgens verweerder blijkt uit onderzoek dat het Blk 2005 niet aan de realisering van het bedrijventerrein in de weg staat.

De feiten

2.19.    Op 5 augustus 2005 is het Blk 2005 in werking getreden. Ingevolge artikel 37 ervan is het op dit geding van toepassing.

2.19.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht.

   In het derde lid, aanhef en onder a, is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, in afwijking van dat lid, mede kunnen worden uitgeoefend, indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

   Ingevolge artikel 20 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.19.2.    Ter voorbereiding van de planvaststelling is onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in verband met de realisering van het bedrijventerrein De Vork. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Bestemmingsplan De Vork Heerhugowaard", gedateerd 22 december 2004.

   In het kader van de beslissing omtrent de goedkeuring van het plan is aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteit vervolgonderzoek Bedrijventerrein De Vork te Heerhugowaard", gedateerd 21 november 2005. In dit rapport staat dat het bedrijventerrein De Vork een beperkte invloed op de luchtkwaliteit heeft, maar de grenswaarden niet worden overschreden. De bedrijven die zich op het bedrijventerrein gaan vestigen leveren volgens het rapport geen relevante bijdrage aan de luchtkwaliteit. Op basis van de uitgevoerde berekeningen wordt in dit rapport geconcludeerd dat met aftrek van zeezoutcorrectie de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de huidige situatie, de autonome ontwikkeling en in de toekomstige situatie met het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Vork" op geen enkele locatie wordt overschreden.

2.19.3.    In het deskundigenbericht staat dat volgens eigen berekeningen geen sprake zal zijn van overschrijding van meer dan de toegestane 35 dagen per jaar van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10), behoudens wat betreft de N242. Op de N242 neemt ten opzicht van de autonome ontwikkeling het aantal overschrijdingsdagen toe, aldus het bericht.

   In het bericht staat verder dat niet aannemelijk is dat de door de gemeente in de luchtkwaliteitsonderzoeken in aanmerking genomen verkeersintensiteit en, in het verlengde daarvan, het aandeel vrachtverkeer onjuist is en voorts dat, gelet op de situatie ter plaatse, in voornoemd rapport gehanteerde bomenfactor niet onjuist is.

2.19.4.    Bij zijn reactie op het deskundigenbericht heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard het rapport "Nadere onderbouwing luchtkwaliteitsonderzoek bedrijventerrein De Vork te Heerhugowaard" overgelegd, alsmede een aanvullende notitie op dit rapport.

   In het rapport "Nadere onderbouwing luchtkwaliteitsonderzoek bedrijventerrein De Vork te Heerhugowaard", gedateerd 29 augustus 2006, staat dat in het geval wordt uitgegaan van een rekenafstand van minder dan tien meter tot de wegas langs de N242 de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden.

   In de aanvullende notitie, gedateerd 1 september 2006, zijn aanvullende luchtkwaliteitsberekeningen opgenomen, gebaseerd op de meest actuele gegevens wat betreft achtergrondconcentraties. In de notitie staat dat, zowel met als zonder de zogenoemde zeezoutcorrectie, op geen enkele locatie in de autonome ontwikkeling en in de toekomstige situatie met het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Vork" de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.    Verweerder heeft het luchtkwaliteitsonderzoek van 21 november 2005 bij zijn besluitvorming mogen betrekken. Alhoewel het in beginsel ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) primair de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur is om bij de voorbereiding van een bestemmingsplan mede de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken, staat deze bepaling, noch enige andere, er aan in de weg dat de gemeenteraad alsnog resultaten van onderzoek overlegt, voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan. In dat geval kan het college van gedeputeerde staten dit onderzoek bij zijn besluitvorming betrekken.

Dit betekent evenzeer dat de door appellant geconstateerde verschillen in invoergegevens die ten grondslag liggen aan het onderzoek van 22 december 2004 en dat van 21 november 2005, wat daar verder van zij, voor verweerder geen aanleiding behoeft te zijn om laatstgenoemd onderzoek niet bij zijn beoordeling te betrekken.

2.20.1.    Wat betreft de aanvullende luchtkwaliteitsberekeningen in de notitie van 1 september 2006, geeft het in beroep aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het mede in aanmerking nemen van deze berekeningen, zoals deze door het college van burgemeester en wethouders zijn overgelegd, zich niet met het karakter van de door de Afdeling uit te voeren toetsing verdraagt. De invoergegevens die ten grondslag liggen aan de aanvullende notitie van 1 september 2006 stemmen overeen met die die ten grondslag liggen aan het onderzoek van 21 november 2005. Eerstgenoemde notitie vormt dan ook een nadere toelichting van het ten tijde van de goedkeuring van het plan verrichte onderzoek naar de luchtkwaliteit. Gelet hierop, bestaat geen reden deze notitie buiten beschouwing te laten.

   Voorts is niet gebleken dat de bij de luchtkwaliteitsberekeningen gehanteerde invoergegevens, wat betreft de verkeersintensiteit, onjuist zijn. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.15.1. is overwogen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de door het gemeentebestuur in aanmerking genomen intensiteit van het verkeer en, in het verlengde daarvan, het aandeel daarin van het vrachtverkeer onjuist zijn. Verder blijkt uit het deskundigenrapport niet dat, gelet op de situatie ter plaatse, in de berekeningen geen juiste zogenoemde bomenfactor is gehanteerd.

2.21.    Uit de aanvullende notitie van 1 september 2006 blijkt dat, indien gebruik wordt gemaakt van de laatst bekende gevalideerde gegevens over achtergrondconcentraties die op berekeningen en metingen die zijn verstrekt door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu zijn gebaseerd, realisering van het in het plan voorziene bedrijventerrein op geen enkele locatie tot overschrijding van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) leidt.

   Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de zogenoemde zeezoutcorrectie, wordt overwogen dat, wat daarvan verder zij, blijkens de aanvullende notitie, ook zonder rekening te houden met die correctie, aan de grenswaarden wordt voldaan.

   Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in het rapport van 21 november 2005 ten onrechte wordt geconcludeerd dat de emissies van de op het terrein te vestigen bedrijven in relatie tot de luchtkwaliteit te verwaarlozen zijn.

   Gelet op het vorenstaande, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd is met het Blk 2005. Het betoog faalt

Watertoets

Standpunt van appellant

2.22.    Appellant betoogt dat verweerder heeft miskend dat bij het vaststellen van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hij stelt dat wateroverlast zal ontstaan omdat, mede gelet op de toename van het percentage verharding in het plangebied, volgens hem onvoldoende ruimte voor water is gereserveerd.

Het bestreden besluit

2.23.    Volgens verweerder houdt het plan voldoende rekening met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het voorziet in voldoende waterberging en er behoeft niet te worden gevreesd voor wateroverlast, aldus verweerder.

De feiten

2.24.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro 1985 gaat een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp daarvoor, vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding is neergelegd.

2.24.1.    In paragraaf 4.11 "Watertoets" van de plantoelichting staat dat in opdracht van het gemeentebestuur in overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier door Grontmij onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Waterinrichtingsadvies de Vork", gedateerd 25 april 2003 (hierna: het Waterinrichtingsadvies). Verder staat daarin dat het Hoogheemraadschap variant 3 uit het Waterinrichtingsadvies heeft aangemerkt als het wateradvies, als bedoeld in de watertoets. Die variant gaat uit van het isoleren van het plangebied van het omliggende watersysteem. De wateraan- en afvoer wordt hierdoor, in combinatie met een flexibel (of dynamisch) peilbeheer, geminimaliseerd. Het te realiseren oppervlak open water, inclusief de extra berging die nodig is vanwege de vergroting van het verhard oppervlak, wordt verdeeld over de watergangen in het plangebied. De benodigde extra berging wordt in overleg met het Hoogheemraadschap bepaald, aldus de plantoelichting. Verder staat in de plantoelichting dat de waterhuishouding van het gebied conform het wateradvies zal worden ingericht.

   In opdracht van het gemeentebestuur en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is variant 3, zoals beschreven in het Waterinrichtingsadvies, uitgewerkt. De resultaten zijn opgenomen in het rapport "Watersysteem de Vork", gedateerd augustus 2005 (hierna: het Watersysteem).

   In het deskundigenbericht staat dat, gelet op het Waterinrichtingsadvies en het Watersysteem, aan de uitvoerbaarheid van het plan wat betreft het onderdeel water niet behoeft te worden getwijfeld.

Het oordeel van de Afdeling

2.25.    Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.24.1. is overwogen, is in de plantoelichting een beschrijving is gegeven van de wijze, waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hiermee is voldaan aan het vereiste dat in het plan een waterparagraaf dient te worden opgenomen.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder heeft miskend dat het plan niet voorziet in voldoende waterberging. Appellant heeft in beroep volstaan met een herhaling van hetgeen hij in zijn bedenkingen naar voren heeft gebracht, zonder daarbij in te gaan op de reactie daarop in het bestreden besluit. Gelet hierop, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor wateroverlast niet gevreesd hoeft te worden. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat in het Waterinrichtingsadvies en het Watersysteem de hydrologische gevolgen voor het plan zijn onderzocht en een inrichting van het plangebied is uitgewerkt, waarin in de benodigde extra waterberging kan worden voorzien. Voorts bestaat volgens het deskundigenbericht geen aanleiding om wat betreft het onderdeel water te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Flora en Fauna

Standpunt van appellant

2.26.    Appellant voert aan dat verweerder heeft miskend dat realisering van het voorziene bedrijventerrein tot aantasting van diverse planten- en diersoorten leidt die ingevolge de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) bescherming genieten. Volgens hem blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende, waarom mag worden verwacht dat ontheffing krachtens de Ffw zal worden verleend.

Het bestreden besluit

2.27.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het onderzoek naar de flora en fauna en nu de daarin opgenomen mitigerende en compenserende maatregelen en inrichtingsvoorstellen onverkort worden overgenomen, de verwachting gerechtvaardigd is dat de benodigde ontheffing krachtens de Ffw zal worden verleend.

De feiten

2.28.    Ingevolge artikel 8 van de Ffw is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

   Ingevolge artikel 9 is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

   Ingevolge artikel 10 is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten.

   Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

   In artikel 75 is bepaald dat vrijstelling of ontheffing kan worden verleend van de voormelde verboden.

2.28.1.    In opdracht van het gemeentebestuur is in het plangebied onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. De resultaten van dit onderzoek en de effecten op flora en fauna ten gevolge van de bestemmingswijziging zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets de Vork" van het Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot, gedateerd 2004 (hierna: de natuurtoets). In het rapport staat dat in het plangebied onder meer de volgende soorten voorkomen: Kamgras, Zwanenbloem, Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Rugstreeppad, Kleine watersalamander, Gewone pad, Bruine kikker, Middelste groene kikker, verschillende vogels en de Gewone dwergvleermuis. Verder is in dit rapport vermeldt, welke de te verwachten schade is die het voorziene bedrijventerrein zal veroorzaken voor de in het plangebied aangetroffen beschermde soorten, welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de schade voor deze soorten te beperken en welke de positieve effecten zijn die uit de toekomstige inrichting van het plangebied voortvloeien. Tevens worden inrichtingsvoorstellen gedaan.

   In de plantoelichting staat dat de voorstellen voor mitigerende en compenserende maatregelen en inrichtingsvoorstellen met betrekking tot flora en fauna uit voornoemd rapport onverkort worden overgenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.29.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel ontheffing krachtens de Ffw vereist is en zo ja, of ontheffing kan worden verleend, zijn in beginsel in deze procedure niet aan de orde. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan mocht verlenen, indien en voor zover op voorhand valt aan te nemen dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Appellant heeft de conclusies van het uitgevoerde onderzoek niet gemotiveerd bestreden. Verder is gesteld noch gebleken dat in het plangebied beschermde flora- of faunasoorten voorkomen die niet in het onderzoeksrapport zijn vermeld. Het in beroep aangevoerde levert dan ook geen grond op voor het oordeel dat de natuurtoets zodanige gebreken vertoont, dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet mocht baseren. Gelet hierop en nu de voorstellen voor mitigerende en compenserende maatregelen en inrichtingsvoorstellen met betrekking tot flora en fauna uit voormeld rapport onverkort worden overgenomen, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de eventueel vereiste ontheffing krachtens de Ffw zal worden verleend en het bepaalde in deze wet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

Geluidhinder

Standpunt van appellant

2.30.    Appellant voert aan dat verweerder heeft miskend dat de realisering van het plan tot onaanvaardbare toename van geluidhinder leidt. Volgens hem heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege de Hasselaarsweg en de geprojecteerde noordelijke ontsluitingsweg van het voorziene bedrijventerrein op de gevel van de woning Hasselaarsweg 9. In dit kader voert hij tevens aan dat verweerder de Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

Het bestreden besluit

2.31.    Verweerder stelt zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidsbelasting ten gevolge van het plan, aangezien de geluidsbelasting ten gevolge van de voorziene ontsluitingsweg op de zijgevel van de woning Hasselaarsweg 9 53 dB(A) zal bedragen en daarvoor een hogere grenswaarde is vastgesteld. In dit verband betoogt verweerder dat de beoordeling van de geluidsbelasting ingevolge de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) per afzonderlijke weg gebeurt. Bij het bepalen van de noodzakelijke gevelmaatregelen, uitgaande van het maximaal toegestaan binnenniveau van 35 dB(A), zal de geluidsbelasting op de gevel als gevolg van beide wegen en eventueel andere relevante bronnen worden betrokken, aldus de gemeenteraad. Verweerder heeft dit standpunt van de gemeenteraad onderschreven.

De feiten

2.32.    In artikel 157, eerste lid, van de Wgh, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien Afdeling 2 van hoofdstuk VI van deze wet of van het krachtens dit onderdeel bepaalde van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in artikel 74, gedeputeerde staten ervoor zorg dragen dat voldoende aandacht wordt geschonken aan de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de onderscheiden te treffen maatregelen.

   Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan de Minister, ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid bepalen, dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van woningen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan worden toegepast.

   In artikel 1a van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit) is bepaald dat, indien artikel 157 van de Wgh van toepassing is, gedeputeerde staten slechts toepassing geven aan de artikelen 2, 5, 7 en 8, voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 157, derde lid, van de Wgh niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

2.32.1.    Het plan voorziet aan de noordzijde van het plangebied in een ontsluitingsweg die aansluit op de Hasselaarsweg. De woning aan het adres Hasselaarsweg 9 ligt direct ten zuiden van de Hasselaarsweg en direct ten oosten van de ontsluitingsweg. Zij ligt in de geluidszone van beide wegen. Voor deze woning is vanwege de voorziene ontsluitingsweg een hogere grenswaarde van 53 dB(A) vastgesteld. Het besluit tot vaststelling daarvan is in rechte onaantastbaar.

2.32.2.    In het rapport "Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan De Vork BK04-091BSP", gedateerd december 2004, staat dat de bestaande woonbebouwing langs de Hasselaarsweg en de Middenweg thans reeds een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde ondervindt en door de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg ter plaatse van Hasselaarsweg 9 sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Voor deze woning zal een hogere waarde moeten worden aangevraagd, aldus het rapport.

2.32.3.    In het deskundigenbericht staat dat de geluidsbelasting op de voorgevel van de woning Hasselaarsweg 9 vanwege de Hasselaarsweg 55 dB(A) en op de zijgevel van de woning 52 dB(A) bedraagt. De geluidsbelasting op de zijgevel van de woning ten gevolge van de nieuwe ontsluitingsweg bedraagt 53 dB(A). De gecumuleerde geluidsbelasting op de zijgevel is 56 dB(A), aldus het deskundigenbericht. Verder staat daarin dat de door appellant uitgevoerde berekeningen van de gecumuleerde geluidsbelasting niet representatief zijn, nu de door appellant gehanteerde rekenmethode niet op de onderhavige situatie toepasbaar is.

Het oordeel van de Afdeling.

2.33.    Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wgh voor de cumulatie van geluid geen maximale te handhaven geluidsbelasting voorschrijft. Dit laat echter onverlet dat hij bij de beslissing omtrent goedkeuring van het plan mogelijke geluidhinder, ook indien dit cumulatie van geluid betreft, in het kader van de vereiste belangenafweging moest betrekken. Daargelaten dat een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Wgh, ontbreekt, is verweerder ingevolge artikel 1a van het Besluit gehouden om bij het vaststellen van hogere waarden de cumulerende geluidsbelastingen te betrekken en te beoordelen of sprake is van een onaanvaardbare geluidsbelasting. Voor de woning Hasselaarsweg 9 is vanwege de voorziene ontsluitingsweg een hogere grenswaarde vastgesteld. Verweerder heeft dit bij de goedkeuring van het bestemmingsplan mogen betrekken. Voorts is bij het bepalen van de noodzakelijke gevelmaatregelen, uitgaande van een maximaal toegestaan binnenniveau van 35 dB(A), de gecumuleerde geluidsbelasting op de zijgevel van de woning als gevolg van beide wegen en eventueel andere relevante bronnen betrokken. Wat betreft de berekeningen van appellant van de gecumuleerde geluidsbelasting wordt overwogen dat deze volgens het in zoverre niet gemotiveerd weersproken deskundigenadvies niet representatief zijn voor de onderhavige situatie.

   Gelet op het vorenstaande, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder de cumulerende geluidsbelasting onvoldoende bij zijn afweging heeft betrokken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitvoering van het plan in zoverre zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege geluidhinder ter plaatse van de woning Hasselaarsweg 9.

2.34.    Voor zover appellant een beroep doet op de Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai, leidt dit betoog evenmin tot het daarmee beoogde resultaat. De richtlijn is in een op 18 juli 2004 in werking getreden wijziging van de Wgh in Nederlands recht omgezet. Periodieke inventarisatie en evaluatie van het bestaande omgevingslawaai en het opstellen van actieplannen ter bestrijding daarvan, vormen de kern van deze regeling. Anders dan appellant betoogt, is in deze richtlijn niet voorzien in concrete normen die gehaald moeten worden.

Woon- en leefklimaat

Standpunt van appellant

2.35.    Appellant voert aan dat verweerder heeft miskend dat de aanleg van het bedrijventerrein tot aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen aan de Middenweg zal leiden. Hij stelt dat het landelijk karakter en de karakteristieke lintbebouwing tussen Heerhugowaard-centrum en De Noord wordt aangetast. Hij betoogt dat ten onrechte slechts in een bufferzone van 40 meter tussen de woningen en het bedrijventerrein is voorzien, terwijl eerder in het kader van een mogelijke invulling van het plangebied met glastuinbouw is gesproken van een bufferzone van 250 meter.

Het bestreden besluit

2.36.    Verweerder stelt in navolging van de gemeenteraad dat het plan voor de woningen aan de Middenweg een goed woon- en leefklimaat waarborgt, nu aansluitend aan de bufferzone van 40 meter alleen bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan.

De feiten

2.37.    De afstand van de woonbebouwing langs de Middenweg tot de gronden met de bestemming "Bedrijven" met de aanduiding "B2" (categorie 1 en 2) bedraagt minimaal 40 meter.

2.37.1.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Bedrijven" met de nadere aanduiding "B2" (categorie 1 en 2) aangewezen gronden bestemd voor de vestiging van ondernemingen die in de van deze voorschriften deel uitmakende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1 of 2.

2.37.2.    Volgens de plantoelichting is het bedrijventerrein gezoneerd en is bij het bepalen van de milieuzonering gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure).

2.37.3.    In de plantoelichting staat dat een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het terrein belangrijk uitgangspunt is bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Het streven is er volgens de plantoelichting op gericht karakteristieke kenmerken onderdeel te laten zijn van het stedenbouwkundig ontwerp en relaties op het gebied van natuur, water en ecologie zo mogelijk te versterken. In dit verband wordt in de toelichting opgemerkt dat de afwisseling tussen (lint)bebouwing en openheid met zicht over het polderland kenmerkend is voor dit deel van de Middenweg en dat in het ontwerp voor het toekomstige bedrijventerrein de zichtlijnen over het polderland zijn doorgetrokken op het bedrijventerrein en dat daaraan is vormgegeven met groen en water. De strook tussen de Middenweg en het bedrijfsterrein zal dienen als overgangsgebied van (agrarische) woningbouw naar bedrijvigheid, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.38.    Voor de milieuzonering, zoals aangegeven op de plankaart, is gebruik gemaakt van de VNG-brochure. In deze brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming vanwege de mogelijke hinder van geur, stof, gevaar en geluid. De afstanden die de brochure geeft, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds. Nu het plan deze aanbevolen afstanden in acht neemt, ziet de Afdeling in het in beroep aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan in zoverre onvoldoende rekening is gehouden met het woon- en leefklimaat van de woningen aan de Middenweg. Dat in een eerder ontwerp-bestemmingsplan in een bufferzone van 250 meter was voorzien, doet hier niet aan af.

   Niet in geschil is dat de landelijke uitstraling van de omgeving, in het bijzonder aan de westzijde van de Middenweg, en het karakter van de lintbebouwing ter plaatse worden aangetast. Het aangevoerde geeft echter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige aantasting, dat hij deswege goedkeuring moest onthouden. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en het zo mogelijk behouden van de karakteristieke kenmerken van het gebied belangrijke uitgangspunten zijn bij de ontwikkeling en inrichting van het bedrijventerrein. Het aangevoerde geeft evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het achterliggende gebied weliswaar een verandering ondergaat, maar de lintbebouwing op zichzelf niet wordt aangetast. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat het plan achter de bestaande woonbebouwing voorziet in een bufferzone van 40 meter. Hoewel realisering van het plan in zoverre een zekere vermindering van het woongenot voor de bewoners van de woningen aan de Middenweg meebrengt, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang van de verwezenlijking van het bedrijventerrein een groter gewicht toekomt dan aan het woongenot van de bewoners dat hierdoor wordt getroffen.

Alternatieve locatie

2.39.    Voor zover appellant heeft aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat er voor het bedrijventerrein een alternatieve locatie is, wordt overwogen dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond hoeft te vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Alternatieven behoeven in beginsel eerst aan de orde te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het vorenstaande, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Eindconclusie

2.40.    De conclusie is dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Bedrijven" en "Verkeersdoeleinden" niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.41.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 2] en [vennoot A] en [vennoot B] te worden verwezen. Ten aanzien van Actiegroep Leefbaar Heerhugowaard bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 december 2005, kenmerk 2005-26310, doch slechts voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Groen en water", zoals nader aangeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III.    onthoudt goedkeuring aan dat plandeel;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit;

V.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 voor het overige en dat van appellant sub 1 geheel ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb                                   w.g. Van Dorst

Voorzitter                              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007

357-432.

plankaart