Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA0061

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
200700488/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2004 is namens het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Multicriteria Bedrijfshuisvesting B.V. (hierna: Multicriteria) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een winkelcentrum met 14 bovengelegen woningen, op een perceel dat omsloten wordt door de Dabbestraat, Oostdijk, Oost-Achterweg en de Heerendijk te Oude-Tonge (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700488/2.

Datum uitspraak: 26 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06 / 3672 en 06/4640 van de voorzieningenrechter van rechtbank Rotterdam van 4 januari 2007 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2004 is namens het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Multicriteria Bedrijfshuisvesting B.V. (hierna: Multicriteria) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een winkelcentrum met 14 bovengelegen woningen, op een perceel dat omsloten wordt door de Dabbestraat, Oostdijk, Oost-Achterweg en de Heerendijk te Oude-Tonge (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het college, voor zover van belang, het daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2005 heeft de rechtbank Rotterdam het daartegen door onder meer [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2006, inzake no. 200507527/1, heeft de Afdeling het daartegen door onder meer [verzoeker] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2005 voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2004 ongegrond is verklaard evenals het besluit van 8 oktober 2004 vernietigd, en het besluit van 30 maart 2004 geschorst tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het college het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen gerichte beroep behoudens voor zover ingesteld door [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard, en voor zover ingesteld door [verzoeker] gegrond verklaard, het besluit van 8 augustus 2006 vernietigd en de door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 11 oktober 2006 getroffen voorlopige voorziening waarbij het besluit van 30 maart 2004 is geschorst tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak, opgeheven.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Verzoekers hebben de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 februari 2007, waar verzoekers, in persoon en bijgestaan door mr. R.Th.J. van 't Zelfde, advocaat te Breda, en het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, vergezeld van C.M.C. Kranse-Bogaard ambtenaar van de gemeente en M. van Lieshout, werkzaam bij Goudappel Coffeng, zijn verschenen. Voorts is Multicriteria, als belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. M. Gideonse, advocaat te Rotterdam, vergezeld van ir. S. Stienstra, werkzaam bij Grondmij, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor een definitieve beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep voor zover ingesteld door [namen 4 verzoekers] niet-ontvankelijk is. Dat dient te geschieden in de bodemprocedure.

2.3.    Het verzoek strekt ertoe het besluit van 30 maart 2004 te schorsen ter voorkoming van onevenredig nadeel in afwachting van een uitspraak op het hoger beroep van verzoekers.

   Aan hun verzoek hebben verzoekers ten grondslag gelegd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in voldoende mate kan worden voorzien in de parkeerbehoefte die het bouwplan met zich brengt. Op voorhand bestaat evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat de voor het bouwplan verleende vrijstelling om die reden niet in stand zal blijven. Het college heeft aan even bedoeld standpunt onder meer het rapport van Goudappel Coffeng van 16 juni 2006 ten grondslag gelegd. Blijkens dat rapport leidt het bouwplan tot een toename van de parkeerbehoefte met 108 parkeerplaatsen. Vaststaat dat het bouwplan voorziet in onder meer de bouw van een parkeerdek met 68 parkeerplaatsen. Niet is betwist dat aan de Arendstraat 14 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Naar voorlopig oordeel is het college voorts terecht uitgegaan van een restcapaciteit van tenminste 28 parkeerplaatsen binnen een straal van 100 m van het perceel. Verzoekers hebben de Voorzitter er niet van kunnen overtuigen dat in genoemd rapport van Goudappel Coffeng is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt door voor de berekening van de restcapaciteit in de toekomstige situatie uit te gaan van de vrijdagavond als drukste en maatgevend moment.

2.4.    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Bij brief van 25 januari 2007 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 30 maart 2004 te schorsen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op de voet van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Voorzitter. Dat verzoek is eveneens toegespitst op de parkeersituatie. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan daarin evenmin aanleiding worden gevonden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                           w.g. Willems

Voorzitter                                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2007

412