Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
200606265/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BMA-advies / reisvoorwaarden

Nu het BMA-advies en de hierin vermelde voorwaarden onderdeel vormen van de overwegingen van het primaire besluit van 31 januari 2005 en dit besluit bij het bestreden besluit van 25 november 2005 is gehandhaafd, moet worden geconcludeerd dat de minister de voorwaarden bij uitzetting als omschreven in het BMA-advies heeft aanvaard en in zijn besluitvorming heeft betrokken. In het in beroep ingediende verweerschrift van 5 juli 2006 alsmede ter zitting in beroep op 17 juli 2006 heeft de minister nog eens onderstreept dat hij zich aan die voorwaarden gehouden acht en gesteld dat in geval niet aan de voorwaarden kan worden voldaan, geen gedwongen uitzetting van de vreemdeling zal plaatsvinden. Er is geen grond voor het oordeel dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht bij een uitzetting aan die voorwaarden te voldoen. Door overneming van deze voorwaarden, heeft de minister in voldoende mate rekening gehouden met de in het onderhavige geval van belang zijnde medische aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606265/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/818 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 27 juli 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juli 2006, verzonden op 28 juli 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 september 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 tot en met 3, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat het besluit van 25 november 2005 niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen nu daarbij de overdracht van de medische behandeling van de vreemdeling niet is betrokken, heeft miskend dat het op 11 januari 2005 door het Bureau Medische Advisering uitgebrachte advies (hierna: het BMA-advies) bij de besluitvorming is betrokken en de in dat advies omschreven modaliteiten bij uitzetting door hem zijn aanvaard.

2.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), indien het betreft de vreemdeling voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen.

2.2.1. Volgens paragraaf B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) wordt beoordeeld of de desbetreffende vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf te reizen en daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet bij de beoordeling betrokken. In paragraaf B8/4 van de Vc 2000 zijn dergelijke omstandigheden nader uitgewerkt.

2.3. De minister heeft geweigerd de vreemdeling met toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 van het zogenoemde mvv-vereiste vrij te stellen, omdat zij volgens het BMA-advies in staat is te reizen, mits aan bepaalde, in het advies vermelde, voorwaarden is voldaan. Deze houden, onder meer, in dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is, in die zin dat de vreemdeling dient te worden begeleid door een psychiatrisch geschoolde hulpverlener en gedurende de reis de beschikking dient te hebben over de voor haar voorgeschreven medicatie.

Nu het BMA-advies en de hierin vermelde voorwaarden onderdeel vormen van de overwegingen van het primaire besluit van 31 januari 2005 en dit besluit bij het bestreden besluit van 25 november 2005 is gehandhaafd, moet worden geconcludeerd dat de minister de voorwaarden bij uitzetting als omschreven in het BMA-advies heeft aanvaard en in zijn besluitvorming heeft betrokken. In het in beroep ingediende verweerschrift van 5 juli 2006 alsmede ter zitting in beroep op 17 juli 2006 heeft de minister nog eens onderstreept dat hij zich aan die voorwaarden gehouden acht en gesteld dat in geval niet aan de voorwaarden kan worden voldaan, geen gedwongen uitzetting van de vreemdeling zal plaatsvinden. Er is geen grond voor het oordeel dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht bij een uitzetting aan die voorwaarden te voldoen. Door overneming van deze voorwaarden, heeft de minister in voldoende mate rekening gehouden met de in het onderhavige geval van belang zijnde medische aspecten.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van de minister van 25 november 2005 in zoverre onzorgvuldig is genomen. De grieven slagen.

2.4. Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren. Daartoe wordt, in zoverre op het beroep gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog moet worden beslist, het volgende overwogen.

2.5.1. Het door de vreemdeling gestelde dat zij in het land van herkomst geen toegang tot medische voorzieningen zal verkrijgen, leidt niet tot het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag wegens het ontbreken van een mvv moest worden afgewezen en geen aanleiding bestaat voor toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen dienen volgens het ter zake gevoerde beleid immers buiten de beoordeling te blijven. In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd met betrekking tot de medische situatie van haar echtgenoot, wordt evenmin grond gezien voor het oordeel dat de minister zich niet op grond van de in het bestreden besluit gegeven motivering op dat standpunt heeft kunnen stellen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 27 juli 2006 in zaak no. AWB 06/818;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en

mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah Oemar, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

Voorzitter w.g. Nasrullah-Oemar

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007

404

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak