Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604098/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tiel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen/veranderen van een garage/veranda op het perceel [locatie] te Tiel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604098/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/2489 en 05/2554 van de rechtbank Arnhem van 20 februari 2006 in het geding tussen:

appellant en [wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tiel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tiel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen/veranderen van een garage/veranda op het perceel [locatie] te Tiel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2006 heeft [vergunninghouder], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 24 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.J. van Hattum, advocaat te Hedel, en het college, vertegenwoordigd door W.P.H.M. Rovers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord [vergunninghouder], in persoon verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellant het hoger beroep beperkt tot het besluit op bezwaar van 21 juni 2005, voor zover daarbij zijn bezwaren tegen het besluit van 18 oktober 2004 ongegrond zijn verklaard.

2.2.    Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent onjuistheden in de aanvraag om bouwvergunning van 22 december 2003, is niet in beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.3.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen vrijstelling voor het bouwplan mocht verlenen, nu noch is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Drumpt 1976" noch aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Dit betoog ziet eraan voorbij dat met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling is verleend, zodat de vraag of aan de door appellant bedoelde voorwaarden is voldaan niet ter zake doet.

2.4.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat geen vrijstelling verleend had mogen worden, omdat [vergunninghouder] zijn auto niet in de garage/berging op het perceel kan parkeren zonder over de door appellant gehuurde grond te rijden, het bouwplan ook overigens een verkeersonveilige situatie bewerkstelligt en vanwege zijn ligging in strijd is met de Wegenwet.

2.4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op de verkeerskundige analyse van 27 januari 2004 en de aanvullende analyse van 4 februari 2005, geen reden is om te veronderstellen dat de vrijstelling uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet verleend had mogen worden. Gelet op de ter zitting getoonde dvd is evenmin aannemelijk geworden dat [vergunninghouder] zijn auto niet in de garage/berging op het perceel kan parkeren zonder over de door appellant gehuurde grond te rijden. Ook indien zulks wel het geval zou zijn, zou daarin geen doorslaggevende reden zijn gelegen om de vrijstelling te weigeren. Immers, de door appellant van de gemeente gehuurde grond maakt onderdeel uit van een plein, dat voor een ieder toegankelijk is, zodat op grond van de Wegenwet geen belemmering bestaat voor [vergunninghouder] om daarover te rijden.

   Anders dan in de door appellant genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 april 2004 in zaak no. 200305780/1 is de thans in geding zijnde garage/veranda niet gebouwd op de openbare weg. Van strijd met de Wegenwet is dan om die reden geen sprake, zodat de vergelijking met die uitspraak niet opgaat.

2.5.    Appellant betoogt ten slotte dat de garage/veranda niet op de vergunde wijze is gebouwd en wordt gebruikt. Wat hiervan zij, dit kan in het kader van de voorliggende procedure, die uitsluitend betrekking heeft op de verleende vrijstelling en bouwvergunning, niet aan de orde komen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                       w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter                         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

328-499.