Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604521/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen het gebruik door [vergunninghouder] van het perceel Kloosterweg 44 te Noordgouwe (hierna: het perceel) voor detailhandel in de vorm van een Fixet Agri Dier en Tuin (hierna: Fixet-vestiging), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604521/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

"Praxis Doe-het-Zelf-Center B.V." en "Praxis Vastgoed B.V.", gevestigd te Zierikzee respectievelijk Diemen,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/206 van de rechtbank Middelburg van 18 mei 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen het gebruik door [vergunninghouder] van het perceel Kloosterweg 44 te Noordgouwe (hierna: het perceel) voor detailhandel in de vorm van een Fixet Agri Dier en Tuin (hierna: Fixet-vestiging), afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg het besluit van 16 november 2004 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 28 december 2005 heeft het college het tegen het besluit van 18 mei 2004 door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft [vergunninghouder] als eigenaresse van de Fixet-vestiging, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 22 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Tailleur en M. van Bruggen, gemachtigden, en het college, vertegenwoordigd door R.P. Stam, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [directeur] en [aandeelhouder], bijgestaan door mr. J.A. de Waard, advocaat te Goes, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan [vergunninghouder] ter zitting heeft betoogd kunnen appellanten in hun hoedanigheid van een concurrent die in hetzelfde verzorgingsgebied als de Fixet-vestiging op het perceel actief is als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt, nu hun belang in die hoedanigheid rechtstreeks door het besluit op het handhavingsverzoek wordt getroffen.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Schuddebeurs" heeft het perceel de bestemming "Bedrijven".

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden met de bestemming "Bedrijven" uitsluitend worden gebruikt voor de vestiging van bedrijven met uitzondering van detailhandels- en horecabedrijven. Niet in geschil is dat [vergunninghouder] het perceel in strijd met deze bestemming ten behoeve van detailhandel gebruikt.

   Ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften, mogen gronden en bouwwerken die bij het van kracht worden van het plan in gebruik zijn voor andere doeleinden dan waarvoor zij blijkens de bestemming ingevolge het plan mogen worden gebruikt, voor die doeleinden in gebruik blijven.

2.3.    Het bestemmingsplan heeft rechtskracht verkregen op 13 juli 1982 (hierna: de peildatum).

2.4.    Tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel vóór de peildatum naast groothandel ook in enige mate detailhandel plaatsvond en dat de verkochte artikelen voornamelijk betrekking hadden op hetgeen gebruikt wordt in agrarische bedrijven, zoals verf, teer, ijzerwaren, bestrijdingsmiddelen, werkkleding, tuinartikelen, meststoffen, benzine en gasflessen.

2.5.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gebruik door [vergunninghouder] van het perceel ten behoeve van detailhandel valt onder het overgangsrecht. Daartoe betogen zij dat het assortiment dusdanig is veranderd dat, anders dan op de peildatum, thans sprake is van een volwaardige bouwmarkt.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. Op de peildatum bedroeg het aandeel detailhandel op het perceel ongeveer 10% van de omzet. In de huidige situatie bedraagt het aandeel detailhandel ongeveer 12% van de omzet. Gelet hierop wijkt de omvang van de detailhandel op de peildatum niet in betekenende mate af van die omvang ten tijde van de beslissing op bezwaar. Dat een verandering in de samenstelling van het gevoerde assortiment heeft plaatsgevonden betekent niet dat reeds daardoor een wijziging van het gebruik in planologisch relevante zin heeft plaatsgevonden. Voor zover al sprake is van een verandering in het aanbod, gaat het niet om een verschuiving die in planologische zin relevant is, maar eerder om een aanpassing van het assortiment aan de eisen van deze tijd. Die aanpassing brengt mee dat het assortiment ook artikelen omvat die in bouwmarkten worden verkocht. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het huidige gebruik van het perceel valt onder artikel 23 van de planvoorschriften en dat het college zich derhalve terecht niet bevoegd heeft geacht om handhavend op te treden.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                                    w.g. Boermans

Voorzitter                                    Ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

429-430.