Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604548/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) geweigerd aan [vennoot 1] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van de inrichting van het pand [locatie] te Alkmaar (hierna: het perceel) ten behoeve van detailhandel door het zogenoemde bedrijf "Love Company".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604548/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoten 1 en 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 05/377 van de rechtbank Alkmaar van 8 mei 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) geweigerd aan [vennoot 1] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van de inrichting van het pand [locatie] te Alkmaar (hierna: het perceel) ten behoeve van detailhandel door het zogenoemde bedrijf "Love Company".

Bij besluit van 15 juli 2004 heeft het college aan [vennoot 1] een preventieve last onder dwangsom opgelegd voor elke week dat het pand op het perceel wordt gebruikt voor het exploiteren van een sekswinkel, gerekend vanaf de eerste dag van de opening.

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het college het door appellante tegen de besluiten van 5 juli 2004 en 15 juli 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2006, verzonden op 12 mei 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is bij brief van 11 januari 2007 een nader stuk ontvangen van appellante. Deze is aan het college toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is bij brief van 17 januari 2007 een nader stuk ontvangen van het college. Deze is aan appellante toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [vennoot 1], vennoot van appellante, bijgestaan door mr. B. Liefting-Voogd, advocaat te Hoorn, is verschenen. Het college is, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bedrijf "Love Company" dat zij in het pand wil vestigen niet kan worden aangemerkt als sekswinkel in de zin van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daartoe betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte, in navolging van het college, heeft aangesloten bij de omschrijving van het begrip sekswinkel die is opgenomen in Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (hierna: Van Dale) en hetgeen in de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) onder "sekswinkel" wordt verstaan. Voorts betoogt appellante dat in de APV een andere definitie is gegeven van het begrip seksinrichting dan in het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.1.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Centrumgebied" (hierna: bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Winkelconcentratiegebied".

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden in het "Winkelconcentratiegebied" bestemd voor detailhandel.

   Ingevolge artikel 18.1 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met het in dit plan bepaalde.

   Ingevolge artikel 18.2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften wordt tot een strijdig gebruik als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken als seksinrichting als bedoeld in artikel 2.36.

   In artikel 2.36 van het planvoorschriften wordt onder een seksinrichting verstaan een prostitutiebedrijf, seksbioscoop, seksvideotheek, seksclub, seksautomatenhal en een sekswinkel, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.1.2.    Het begrip seksinrichting is omschreven in artikel 2.36 van de planvoorschriften. Derhalve dient voor de betekenis daarvan daarbij te worden aangesloten. Dat in de APV een andere betekenis aan dat begrip is gegeven, is niet relevant.

   In de planvoorschriften is het begrip sekswinkel niet gedefinieerd en ook de toelichting bij het bestemmingsplan biedt omtrent de betekenis daarvan geen duidelijkheid. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar met verwijzing naar Van Dale op het standpunt gesteld dat onder een sekswinkel moet worden begrepen een winkel waarin in hoofdzaak goederen worden verkocht die dienen voor de bevordering of opwekking van seksuele gevoelens. Deze uitleg komt overeen met de in artikel

3.1.1. onder e, van de APV opgenomen definitie van een sekswinkel. Daarin is "sekswinkel" omschreven als een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college ter invulling van het begrip sekswinkel in de planvoorschriften terecht aansluiting heeft gezocht bij de omschrijving daarvan in Van Dale en de in de APV gegeven definitie van dat begrip. Het betoog van appellante ter zake faalt.

2.1.3.    Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat de door appellante aangeboden producten hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard zijn. Ter invulling van hetgeen onder "hoofdzakelijk" moet worden verstaan heeft het college blijkens de beslissing op bezwaar en zijn verklaring bij de rechtbank een norm van 10-15% gehanteerd. De verkoop van niet aan de bestemming eigen (branchevreemde) artikelen die beneden die norm blijft, wordt nog in overeenstemming met de bestemming geacht. De rechtbank heeft een norm van maximaal 15% seksartikelen niet onjuist geacht.

2.1.4.    Appellante betoogt terecht dat het college met voormelde norm geen juiste betekenis heeft gehecht aan het begrip hoofdzakelijk. Uit het gebruik van deze term in de omschrijving volgt dat het aanbod van de winkel in overwegende mate van erotisch-pornografische aard dient te zijn alvorens sprake is van een sekswinkel. Daarbij is, anders dan het college en de rechtbank hebben aangenomen, niet slechts het aantal seksartikelen maatgevend maar komt ook gewicht toe aan onder meer het vloeroppervlak van de winkel dat door de desbetreffende artikelen in beslag wordt genomen en aan de uit de verkoop van die artikelen behaalde omzet. De beslissing op bezwaar ontbeert dan ook een deugdelijke motivering en is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek behoeven de overige naar voren gebrachte gronden thans geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 10 januari 2005 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.3.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 mei 2006 in zaak no. GEMWT 05/377;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar van 10 januari 2005, kenmerk BZ/13596/13585;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 672,62 (zegge: zeshonderdtweeënzeventig euro en tweeënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Alkmaar aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat gemeente Alkmaar aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 698,00 (zegge: zeshonderdachtennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

429-430.