Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200605992/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) de aanvraag van appellante om subsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605992/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Elamirkan", gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1128 van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (thans: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) de aanvraag van appellante om subsidie afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2005 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2006, verzonden op 11 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd haar [voorzitter] en de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.W. Veldhuis, advocaat te Den Haag, bijgestaan door mr. D.M. Stam, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen heeft appellante ter zitting nadere stukken overgelegd.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Staatssecretaris haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank is er volgens appellante ten onrechte aan voorbijgegaan dat zij de Staatssecretaris reeds op 20 juni 2004 een adreswijziging heeft gezonden, dat zij op 11 oktober 2004 bij de Staatssecretaris telefonisch navraag heeft gedaan naar een beslissing op haar subsidieaanvraag en dat naar aanleiding daarvan pas het primaire besluit op diezelfde datum aan haar is verzonden. De bezwaartermijn eindigde volgens appellante derhalve zes weken na 11 oktober 2004.

2.2.    Aangezien de Staatssecretaris de ontvangst van de beweerdelijk door appellante verzonden adreswijziging heeft ontkend, diende appellante de verzending daarvan aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is de enkele vermelding van het nieuwe postadres van appellante, Ammunitiehaven 449 te Den Haag, in het briefhoofd van appellantes schriftelijke reactie van 23 juli 2004 op het advies aan de Staatssecretaris van de Raad voor Cultuur, niet als een uitdrukkelijke adreswijziging aan te merken. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het besluit van 21 september 2004 het postadres vermeldt waarvan de Staatssecretaris bij verzending van dat besluit mocht uitgaan, te weten Schedeldoekshaven 464 te Den Haag. De Staatssecretaris heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat dit besluit op die datum ook is verzonden.

   Derhalve is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag om subsidie, op 21 september 2004 op de in art. 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 22 september 2004 en is geëindigd op 2 november 2004. Het bezwaarschrift is evenwel blijkens het poststempel eerst op 4 november 2004 ter post bezorgd en derhalve, gelet op art. 6:7 in samenhang met art. 6:9, tweede lid, van de Awb, niet tijdig ingediend. Overigens valt niet in te zien dat appellante, nu zij gezien de dagtekening van haar bezwaarschrift in ieder geval op 15 oktober 2004 bekend was met het besluit van 21 september 2004, het bezwaarschrift niet tijdig had kunnen indienen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos                                w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

47-496.