Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
200604499/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IVRK / directe werking art. 2

De Afdeling verstaat de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelse versie -"a primary consideration"- zo dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2005 in zaak no. 200507132/1, AB 2005, 429) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. De Afdeling heeft hetzelfde overwogen ten aanzien van artikel 27 van het IVRK (uitspraak van 1 maart 2005 in zaak no. 200408015/1, JV 2005/176). De rechtbank heeft miskend dat het beroep van de vreemdelingen op evenbedoelde bepalingen om deze reden niet kan slagen. Zij heeft voorts miskend dat het beroep van de vreemdelingen op artikel 2, eerste lid, van het IVRK faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod er niet aan in de weg staat dat binnen één juridische categorie - de groep van kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven doch niet zijn toegelaten - op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die aan hun meewerkplicht voldoen en kinderen van ouders, zoals de vreemdelingen, die daaraan niet voldoen.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 118 met annotatie van I. Sewandono
JV 2007/144 met annotatie van Goos Cardol
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604499/1.

Datum uitspraak: 15 februari 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/27225 en 05/27226 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2006 in de gedingen tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft appellant (hierna: het COA) de verstrekkingen aan [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) en hun minderjarige kinderen (hierna: de kinderen), op de voet van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) beëindigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 mei 2006, verzonden op 23 mei 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdelingen, mede ten behoeve van de kinderen, ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COA bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 juli 2006 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 (hierna: het IVRK) eerbiedigen en waarborgen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. In het tweede lid is bepaald dat de Staten die partij zijn alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind. Artikel 3, eerste lid, van het IVRK luidt: "Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.".

Artikel 27 van het IVRK luidt als volgt: "1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.".

Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA), zijn, in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van die wet, van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge artikel 12 kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3.

De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COA.

Ingevolge artikel 23 van de Rva 2005 eindigen de verstrekkingen van een asielzoeker, op wiens asielaanvraag vóór 1 januari 2000 in eerste aanleg in negatieve zin is beslist, aan wie een last tot uitzetting is gegeven en door de korpschef is medegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, in afwijking van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van deze regeling, op de dag waarop hij Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten.

2.2. Van asielzoekers die zijn uitgeprocedeerd, op wie een vertrekplicht rust en die aan de toepasselijke wettelijke voorschriften geen aanspraak op verstrekkingen kunnen ontlenen, plegen de verstrekkingen niettemin niet te worden beëindigd, indien en zolang de desbetreffende vreemdeling meewerkt aan het verkrijgen van een vervangend reisdocument. Kernpunt van dit beleid is dat van medewerking die tot voortzetting van verstrekkingen, alhoewel daarop geen aanspraak bestaat, aanleiding kan geven eerst sprake is, indien en zolang de desbetreffende vreemdeling alles doet, wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om zijn terugkeer naar zijn land van herkomst te bewerkstelligen.

2.3. In hoger beroep is niet in geschil dat de vreemdelingen aan de Rva 2005 geen aanspraak op verstrekkingen kunnen ontlenen en dat het toepasselijke beleid geen grond biedt om af te zien van beëindiging van de verstrekkingen, omdat zij niet voldoen aan de daarin als voorwaarde voor voortzetting van de verstrekkingen gestelde inspanningsverplichting om hun terugkeer naar het land van herkomst te realiseren. Evenmin is in geschil dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, die niet zijn onderkend bij de vaststelling van het beleid, dat er onder meer toe strekt dat het indienen van een zogeheten 14-1-brief niet in de weg staat aan de beëindiging van de voorzieningen.

2.4. In de enige grief klaagt het COA onder meer dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu ten aanzien van de kinderen zich de situatie voordoet dat zij in afwachting van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd rechtmatig in Nederland verblijven, de toepassing van artikel 23 van de Rva 2005 en voormeld beleid jegens hen op grond van artikel 2, eerste lid, van het IVRK, tegen de achtergrond van het beginsel van verhoogde beschermwaardigheid van kinderen in het algemeen en met inachtneming van artikel 2, tweede lid, artikel 3 en artikel 27 van het IVRK in het bijzonder, geen evenredig middel is om te voldoen aan de doelstelling van de Wet COA en de Rva 2005 en het bij haar bestreden besluit aldus in strijd is met artikel 2, eerste lid, van het IVRK. Daarmee heeft de rechtbank volgens het COA miskend dat eerdergenoemde verdragsbepalingen geen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn en van discriminatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het IVRK geen sprake is.

2.4.1. De Afdeling verstaat de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelse versie -"a primary consideration"- zo dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2005 in zaak no. 200507132/1, AB 2005, 429) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. De Afdeling heeft hetzelfde overwogen ten aanzien van artikel 27 van het IVRK (uitspraak van 1 maart 2005 in zaak no. 200408015/1, JV 2005/176). De rechtbank heeft miskend dat het beroep van de vreemdelingen op evenbedoelde bepalingen om deze reden niet kan slagen. Zij heeft voorts miskend dat het beroep van de vreemdelingen op artikel 2, eerste lid, van het IVRK faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod er niet aan in de weg staat dat binnen één juridische categorie - de groep van kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven doch niet zijn toegelaten - op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die aan hun meewerkplicht voldoen en kinderen van ouders, zoals de vreemdelingen, die daaraan niet voldoen.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdelingen beoordelen in het licht van de tegen het besluit van 18 mei 2005 in eerste aanleg door hen aangedragen beroepsgronden, voor zover die in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.6. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de toepassing van artikel 23 van de Rva 2005 door het COA in strijd is met artikel 1 van de Grondwet omdat een ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt tussen de kinderen van vreemdelingen die volgens het COA voldoen aan de in het toepasselijke beleid gestelde inspanningsverplichting om mee te werken aan hun terugkeer naar het land van herkomst en kinderen van vreemdelingen die hieraan niet voldoen. Voorts hebben zij aangevoerd dat het standpunt van het COA dat artikel 27 van het IVRK rechtstreekse toepassing mist eveneens in strijd is met artikel 1 van de Grondwet.

2.6.1. Het beroep op artikel 1 van de Grondwet faalt, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.4.1. is overwogen. Het betoog van de vreemdelingen dat het standpunt van het COA dat artikel 27 van het IVRK rechtstreekse toepassing mist in strijd is met artikel 1 van de Grondwet hebben zij niet nader toegelicht en faalt reeds daarom.

2.7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2006 in de zaken nos. AWB 05/27225 en 05/27226;

III. verklaart het door de vreemdelingen in die zaken ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Groeneweg

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007

32-491.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak