Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604633/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht (hierna: de examencommissie) aan appellante medegedeeld dat de resultaten die zij in het oude doctoraalprogramma heeft behaald bijna allemaal ouder dan tien jaar zijn met als gevolg dat appellante het verplichte curriculum van het bachelorprogramma moet halen om te kunnen voldoen aan de afstudeervereisten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604633/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Maastricht,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2854 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 mei 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht (hierna: de examencommissie) aan appellante medegedeeld dat de resultaten die zij in het oude doctoraalprogramma heeft behaald bijna allemaal ouder dan tien jaar zijn met als gevolg dat appellante het verplichte curriculum van het bachelorprogramma moet halen om te kunnen voldoen aan de afstudeervereisten.

Bij besluit van 11 mei 2005 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (hierna: het college ) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2006, verzonden op 9 mei 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Perey-Maussen, secretaris van het college, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Hetgeen appellante in hoger beroep betoogt, vormt een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd.

   De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de examencommissie niet in strijd heeft gehandeld met bij appellante opgewekt vertrouwen door gebruik te maken van de aan haar krachtens het Onderwijs- en Examenreglement toegekende bevoegdheid om aanvullende eisen te stellen ten aanzien van in het verleden behaalde tentamens. De examencommissie heeft bij brief van 27 oktober 1998 aan appellante kenbaar gemaakt aan welke aanvullende eisen zij zou moeten voldoen om te kunnen afstuderen. Voorts heeft de examencommissie erop gewezen zich het recht voor te behouden jaarlijks te bezien of nieuwe, aanvullende eisen moeten worden gesteld. Dat standpunt heeft de examencommissie bij brief van 16 augustus 2001 onder verwijzing naar de brief van 27 oktober 1998 gehandhaafd. Anders dan appellante betoogt, heeft de examencommissie haar derhalve niet het vertrouwen gegeven dat de in het verleden behaalde resultaten onbeperkt geldig zijn zonder dat nadere eisen gesteld kunnen worden en kon zij in verband met de invoering van de bachelor/masteropleiding nadere eisen aan appellante stellen.

   Het betoog ter zitting dat de examencommissie aan artikel 28, tweede lid, van de Onderwijs- en Examenregeling van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid (OER), op grond waarvan de examencommissie met betrekking tot een onderdeel waarvan het tentamen langer dan zes jaar geleden is behaald, een aanvullend dan wel vervangend tentamen kan opleggen, niet de bevoegdheid geeft te bepalen dat appellante het gehele verplichte curriculum van het bachelorprogramma nog moet doen, slaagt niet. Van strijd met de tekst van die bepaling is geen sprake, nu voor alle tentamens en onderdelen die appellante heeft gedaan, geldt dat zij meer dan zes jaar geleden zijn afgelegd. Ten aanzien van de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt, overweegt de Afdeling dat de te stellen aanvullende eisen afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. In dit geval is van belang dat appellante in 1985 aan haar studie Nederlands Recht is begonnen, een aantal tentamens heeft behaald en, op een keuzevak in 1997 na, haar laatste tentamen in 1993, derhalve zeer geruime tijd geleden, heeft afgelegd. Voorts ligt het in de rede dat de invoering van de bachelor/masteropleiding in 2002 gevolgen heeft voor de te stellen eisen. In het licht daarvan kan het niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt dat de examencommissie heeft besloten dat appellante het verplichte curriculum van het bachelorprogramma moet behalen om te kunnen voldoen aan de huidige afstudeervereisten.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

299