Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9505

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604540/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden (hierna: de korpschef) naar aanleiding van een verzoek van appellant informatie verstrekt en voorts geweigerd appellant een kopie van een mutatie in het bedrijfsprocessensysteem te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604540/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4051 van de rechtbank

's-Gravenhage van 8 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de korpsbeheerder van de regiopolitie Hollands Midden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden (hierna: de korpschef) naar aanleiding van een verzoek van appellant informatie verstrekt en voorts geweigerd appellant een kopie van een mutatie in het bedrijfsprocessensysteem te verstrekken.

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft de korpschef appellant naar aanleiding van het door hem gemaakte bezwaar een afschrift verstrekt van de mutatie, waaruit alle gegevens die herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon zijn verwijderd.

Bij uitspraak van 8 juni 2006, verzonden op 9 juni 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2006 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij brief van 12 januari 2007 heeft de korpsbeheerder van de regiopolitie Hollands Midden (hierna: de korpsbeheerder) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. R. Groen, werkzaam bij de regiopolitie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet politieregisters (hierna: de Wpolr) wordt onder politieregister of register verstaan een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens

- die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd, en

- die is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak.

   Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder f, onder 1°, van dit artikel wordt bij een regionaal politiekorps onder beheerder met betrekking tot een register verstaan de ingevolge de Politiewet als korpsbeheerder aangewezen burgemeester.

   Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder h, van dit artikel wordt onder het verstrekken van gegevens uit een politieregister verstaan het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen.

   Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder i, wordt onder persoonsgegevens verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp).

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Wpolr deelt de beheerder een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende persoonsgegevens in een register zijn opgenomen. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de herkomst van de gegevens en over degenen aan wie deze zijn verstrekt. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dit onderdeel gold ten tijde van belang, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

   Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.2.    Appellant heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de afgelaste bijeenkomst van de Baskische jongerenorganisatie SEGI van 19 februari 2004.

   Bij besluit van 7 juli 2004 heeft de korpschef informatie verstrekt en geweigerd appellant een kopie van de op de zaak betrekking hebbende mutatie in het bedrijfsprocessensysteem van de politie te verstrekken. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de Wpolr hem niet toestaat een afschrift van de mutatie te verstrekken. Overige verslaglegging over de bijeenkomst is, zo stelt de korpschef, hem niet bekend.

   Naar aanleiding van het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar heeft de korpschef zich op 26 augustus 2004 op het standpunt gesteld dat de Wpolr een gesloten verstrekkingenregime kent en aan appellant geen gegevens uit het politieregister mogen worden verstrekt. Teneinde appellant tegemoet te komen heeft de korpschef hem een afschrift van de mutatie verstrekt, waaruit alle gegevens die herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon zijn verwijderd. Dit besluit is door de korpsbeheerder bekrachtigd.  

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weggelakte gegevens uitsluitend persoonsgegevens bevatten als bedoeld in de Wpolr, gelezen in samenhang met de Wbp. De vijfde en zesde weglakking betreffen volgens appellant naar alle waarschijnlijkheid de woorden "hij" of "zij". Zo'n gegeven is niet herleidbaar tot enig individueel persoon. De achtste weglakking is naar alle waarschijnlijkheid een verwijzing naar een andere overheidsdienst en kan daarom ook geen persoonsgegeven zijn, aldus appellant.

2.3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 november 2006 in zaak no. 200601984/1 (AB 2007, 24) vloeit uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wpolr voort dat deze wet voor de verstrekking van gegevens een gesloten systeem kent. De bij deze wet of bij daarop gebaseerde Algemene maatregel van bestuur gestelde regels, waarmede het reglement, als bedoeld in artikel 9 van de Wpolr, in overeenstemming dient te zijn, geven tezamen een uitputtende regeling (TK 1985-1986, 19 589, nr. 3, p. 9).

   Uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, h en i, van de Wpolr blijkt dat het regime van de Wpolr uitsluitend van toepassing is op persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp. De wetsgeschiedenis biedt geen grond aan deze bepalingen een andere betekenis toe te kennen dan uit hun tekst voortvloeit. Het verstrekkingenregime van de Wpolr heeft derhalve betrekking op persoonsgegevens in vorenbedoelde zin en - anders dan de Wob - niet op de documenten waarin ze kunnen zijn vervat. In dit stelsel brengt de omstandigheid dat een document persoonsgegevens bevat niet met zich dat het document als zodanig onder de werking van de Wpolr valt, ook voor zover dit document andere dan persoonsgegevens in voormelde zin bevat.

   Wat er zij van hetgeen overigens is overwogen in het besluit op bezwaar, door aan appellant tegemoet te komen als daarbij is geschied, is gehandeld overeenkomstig deze rechtspraak.

2.3.2.    De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van het door de korpsbeheerder vertrouwelijk overgelegde stuk. Ten aanzien van de vijfde en zesde weggelakte passage is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat deze geen persoonsgegevens bevatten als bedoeld in de Wpolr, gelezen in samenhang met de Wbp. Evenmin kan staande worden gehouden dat de Wob aan openbaarmaking van deze passages in de weg staat. De korpsbeheerder heeft deze gegevens derhalve ten onrechte uit de mutatie verwijderd. Ten aanzien van de overige weggelakte gegevens is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat deze uitsluitend persoonsgegevens bevatten en dat de korpsbeheerder terecht met verwijzing naar de Wpolr en de Wbp heeft geweigerd deze aan appellant te verstrekken.

2.4.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder het onrechtmatige besluit van 7 juli 2004 heeft herroepen en dat daarom toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 7:15 van de Awb.

2.4.1.    Bij het besluit van 26 augustus 2004 heeft de korpsbeheerder appellant, om hem tegemoet te komen in zijn bezwaar, een afschrift van de mutatie verstrekt, met weglating van een aantal passages. Zoals de korpsbeheerder ter zitting bij de rechtbank heeft aangegeven, heeft de verstrekking plaatsgevonden met toepassing van de Wob. De Afdeling leest in deze beslissing een herroeping van het besluit van 7 juli 2004. Nu appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten die hij in bezwaar heeft moeten maken, moet in het kader van artikel 7:15 van de Awb  worden onderzocht of de herroeping het gevolg is van een aan de korpsbeheerder te wijten onrechtmatigheid.

   Hoewel het verzoek van appellant van 24 juni 2004 voldeed aan de vereisten zoals die ingevolge artikel 3 van de Wob aan verzoeken om informatie worden gesteld, is de mutatie eerst naar aanleiding van het bezwaar van appellant verstrekt. Gelet daarop, en gelet op hetgeen onder 2.3.2 is overwogen, moet worden geoordeeld dat het besluit van 7 juli 2004 onrechtmatig is en dat de korpsbeheerder daarom de kosten die appellant in bezwaar in redelijkheid heeft moeten maken had moeten vergoeden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, in zoverre dat besluit strekt tot handhaving van de weigering de vijfde en zesde weggelakte passage uit de mutatie te verstrekken en in zoverre het niet strekt tot vergoeding van de kosten in bezwaar. Voorts dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover is afgezien van veroordeling van de korpsbeheerder in de kosten gemaakt in bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 7 juli 2004 herroepen voor zover is geweigerd de twee onder 2.3.1 vermelde passages te verstrekken, de korpsbeheerder gelasten deze passages aan appellant te verstrekken en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar. Voorts zal de Afdeling de korpsbeheerder alsnog veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

2.6.    De korpsbeheerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 juni 2006 in zaak no. AWB 04/4051 voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, in zoverre dat besluit strekt tot handhaving van de weigering de vijfde en zesde weggelakte passage uit de mutatie te verstrekken en in zoverre het niet strekt tot vergoeding van de kosten in bezwaar, en voor zover is afgezien van veroordeling van de korpsbeheerder in de kosten gemaakt in bezwaar;

III.    herroept het besluit van de korpschef van de regiopolitie Hollands Midden van 17 juli 2004, met kenmerk 30501, voor zover is geweigerd de onder II. vermelde passages te verstrekken;

IV.    bepaalt dat de korpsbeheerder van de regiopolitie Hollands Midden appellant de onder II. vermelde passages verstrekt;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 augustus 2004;

VI.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII.    veroordeelt de korpsbeheerder van de regiopolitie Hollands Midden tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de regiopolitie Hollands Midden aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de regiopolitie Hollands Midden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

419