Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604355/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 20 december 2004 (Stcrt. 2004, 251) heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) de Regeling schoonmaakdiensten particulieren (Stcrt. 1997, 244; hierna: de regeling) gewijzigd en daarbij na artikel 2 van de regeling artikel 2a ingevoegd, op grond waarvan het subsidieplafond per werkgever voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 is vastgesteld overeenkomstig bijlage B bij deze wijziging. Op grond van deze bijlage is het subsidieplafond voor appellante vastgesteld op € 167.282,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604355/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Home Maid B.V.", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nos. VBELEI 06/1062, 06/1064 en BELEI 06/1063 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Op 20 december 2004 (Stcrt. 2004, 251) heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) de Regeling schoonmaakdiensten particulieren (Stcrt. 1997, 244; hierna: de regeling) gewijzigd en daarbij na artikel 2 van de regeling artikel 2a ingevoegd, op grond waarvan het subsidieplafond per werkgever voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 is vastgesteld overeenkomstig bijlage B bij deze wijziging. Op grond van deze bijlage is het subsidieplafond voor appellante vastgesteld op € 167.282,00.

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2006 heeft de rechtbank Rotterdam, voor zover thans van belang, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft de Staatssecretaris, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2006, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, door middel van een faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 augustus 2006 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, en haar [directeur], en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J.B. Olofsen en mr. J.M. Denie, beiden ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Kaderwet SZW-subsidies kan de Minister subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en a onder b, kunnen onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van de Minister terzake van de verstrekking van subsidie regels worden gesteld met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstekt en wie daarvoor in aanmerking komt.

2.1.1.    Krachtens artikel 3, eerste lid van de Kaderwet SZW-subsidies is de regeling vastgesteld. Deze is, voor zover thans van belang, gewijzigd bij regeling van 17 december 2002 (Stcrt. 2002, 247).

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de regeling verleent de Minister de subsidie voor het in dienst hebben van personen als bedoel in artikel 2, eerste lid, rekening houdend met de omvang van de uitgevoerde werkzaamheden op consumentencontracten.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de regeling geeft de Ondernemersorganisatie schoonmaak- en bedrijfsdiensten op aanvraag van een werkgever een beschikking tot subsidieverlening.

   Ingevolge het tweede lid wordt de subsidie verleend vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

   Ingevolge het vierde lid betaalt de minister de subsidie bij wijze van voorschot per kwartaal aan de hand van de declaratie met opgave van de gegevens over arbeidsuren volgens de arbeidsovereenkomst en de gewerkte uren op consumentencontracten, die gefactureerd zijn.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de regeling stelt de minister de subsidie per kalenderjaar vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave.

2.1.2.    De regeling is voorts gewijzigd bij regeling van 20 december 2004 (Stcrt. 2004, 251), gepubliceerd in de Staatscourant op 28 december 2004.

   Ingevolge artikel 2a van deze regeling is het subsidieplafond per werkgever voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 vastgesteld overeenkomstig bijlage B.

   In bijlage B is de aan appellante voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 maximaal te verstrekken subsidie bepaald op € 167.282,00.

2.1.3.    Ingevolge artikel 4:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vermeldt de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

   Ingevolge het tweede lid vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, indien zij het bedrag van de subsidie niet vermeldt, het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

2.2.    Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de regeling van 20 december 2004 enkel gevolgen heeft voor na de datum van de bekendmaking ervan ingediende aanvragen. Volgens appellante heeft deze regeling geen gevolgen voor de vaststelling van reeds verleende subsidies. Appellante betoogt in dat verband dat de rechtbank heeft miskend dat haar door de Staatssecretaris bij besluit van 5 maart 2003 een meerjarige subsidie in het kader van de regeling is verleend.

2.2.1.    De Afdeling stelt voorop dat aan appellante op 5 maart 2003 naar aanleiding van haar aanvraag namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de regeling is afgegeven, hetgeen blijkens de toelichting op dat artikel inhoudt dat appellante aan de vereisten van de regeling voldoet en voor subsidie in aanmerking komt voor het verrichten van de te subsidiëren activiteiten. In artikel 5 van de beschikking is bepaald dat hierop onder meer de voorschriften en voorwaarden van de regeling van toepassing zijn. Deze beschikking dient, gelet op de bewoordingen ervan en gelet op het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, van de regeling, te worden aangemerkt als een besluit tot verlening van subsidie. Weliswaar wordt niet voldaan aan het vereiste van artikel 4:31, eerste lid, dan wel tweede lid, van de Awb, doch deze beschikking is in rechte onaantastbaar.

   Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de regeling wordt de subsidie per kwartaal bij wijze van voorschot op basis van declaraties aan appellante betaald. Anders dan de Staatssecretaris is de Afdeling van oordeel dat dit niet betekent dat per kwartaal besluiten tot verlening van de subsidie worden genomen.

2.2.2.    De regeling van 20 december 2004, waarbij de aan de verleningsbeschikking ten grondslag liggende regeling aldus is gewijzigd dat voor de periode 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 per aan de regeling deelnemend bedrijf, waaronder appellante, een subsidieplafond is vastgesteld, houdt naar het oordeel van de Afdeling - anders dan de Staatssecretaris heeft gesteld en de voorzieningenrechter heeft overwogen en ondanks het feit dat in deze regeling het woord subsidieplafond is vermeld - in dit geval niet een subsidieplafond in, maar, gelet op de bewoordingen ervan, een aanvulling op de verleningsbeschikking van 5 maart 2003, in die zin dat in deze regeling het bedrag is bepaald waarop de subsidie - voor het genoemde tijdvak - ten hoogste kan worden vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb.

   Dit bedrag is vastgesteld voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 en voor het begin van deze periode bekendgemaakt. Gelet hierop alsmede op het feit dat dit bedrag, zo is ter zitting door de Staatssecretaris verklaard, overeenkomt met het bedrag dat voordien aan appellante is betaald, heeft de Staatssecretaris in redelijkheid kunnen besluiten dit bedrag aldus te bepalen.

2.2.3.    Gelet op het vorenoverwogene, komt de Afdeling tot de slotsom dat de voorzieningenrechter het beroep van appellante terecht, zij het op onjuiste gronden, ongegrond heeft verklaard.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Groenendijk

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

164-496.