Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200604564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een melkrundveehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 25 mei 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.40
Besluit landbouw milieubeheer
Besluit landbouw milieubeheer 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604564/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een melkrundveehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 25 mei 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door P.J.W. Stoop, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. A. Lemaire-Lap en M. Meeuwesen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder in persoon, bijgestaan door mr. A.M.L. Josten.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 6 februari 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door drs. A. Lemaire-Lap en M. Meeuwesen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder in persoon, bijgestaan door ir. A.C.H.M. Commissaris.

2.    Overwegingen

2.1.        De bij het bestreden besluit krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 160 melkkoeien en 76 stuks jongvee. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 29 december 1992 krachtens de Hinderwet een revisievergunning verleend voor het houden van 120 melkkoeien en 116 stuks jongvee. Op 24 april 1996 heeft vergunninghouder een melding gedaan van de nieuwbouw van een stal ter vervanging van een oude stal.

2.2.        Op 6 december 2006 is het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) in werking getreden.

       Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is dit besluit van toepassing op een melkrundveehouderij.

       Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien meer dan 200 stuks melkrundvee worden gehouden, exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar.

       Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, is dit besluit niet van toepassing op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden:

a. die is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of

b. die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III of IV of V.

       Ingevolge artikel 4, derde lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, is dit besluit in afwijking van het tweede lid van toepassing op een inrichting die is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V en die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, indien het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden wordt niet groter is dan het aantal landbouwhuisdieren dat op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gehouden mocht worden en voor zover de afstand tot het dichtstbijzijnde object categorie I, II, III, IV of V niet is afgenomen.

2.3.        Niet in geschil is dat de inrichting, een melkrundveehouderij waarin minder dan 200 stuks melkrundvee worden gehouden en die is opgericht voor het tijdstip van de inwerkingtreding van het Besluit, is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van objecten van categorie I of II.    

       In de uitspraak van 30 augustus 2006 in zaak no. 200604564/2 heeft de Voorzitter het bestreden besluit geschorst, zodat op het moment van de inwerkingtreding van het Besluit de voor de inrichting geldende vergunning de bij besluit van 29 december 1992 verleende vergunning was. De melding van 24 april 1996 heeft geen gevolgen voor het op grond van deze vergunning maximale aantal te houden dieren.

       Het totale aantal landbouwhuisdieren dat in de inrichting wordt gehouden is niet groter dan het totale aantal landbouwhuisdieren dat op grond van de bij besluit van 29 december 1992 verleende vergunning gehouden mocht worden. Dat de getalsmatige verhouding tussen de gehouden melkrunderen en het gehouden jongvee is gewijzigd, is in dit verband niet relevant. Vast staat verder dat de afstand tot de dichtstbijzijnde stankgevoelige objecten niet afneemt. Nu voorts niet is gebleken dat één van de andere uitzonderingsbepalingen van de artikelen 3 en 4 van het Besluit van toepassing is, moet worden geconcludeerd dat de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit is komen te vallen.

       Gezien het vorenstaande, is de vergunning van 22 mei 2006 van rechtswege komen te vervallen. Nu het beroep van appellant zich richt tegen de van rechtswege vervallen vergunning heeft hij geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Nu ook anderszins niet is gebleken dat appellant nog processueel belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.4.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd                w.g. Timmerman

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

431