Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200700576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2006 heeft verweerder aan verzoekster enkele lasten onder dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700576/1.

Datum uitspraak: 22 februari 2007

RECTIFICATIE: p. 6

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Porkland Handel B.V.", gevestigd te Horst aan de Maas,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2006 heeft verweerder aan verzoekster enkele lasten onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 februari 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door G. Zoet, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster exploiteert een slachterij. Hiervoor is bij besluit van 9 oktober 2000 een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend.

2.2.    Bij het bestreden besluit is onder meer een last onder dwangsom opgelegd omdat een propaantank op te korte afstand van het bedrijfsgebouw is geplaatst. Volgens verweerder is dit in strijd met de voorschriften van CPR-richtlijn 11-2 en PGS 20.

2.2.1.    Verzoekster voert aan dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze over de last inzake de propaantank naar voren te brengen, omdat de vooraankondiging van 25 augustus 2006 geen betrekking had op deze overtreding.

   Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat de propaantank inmiddels is verplaatst en de overtreding is beëindigd.

2.2.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet in haar belangen is geschaad doordat de propaantank niet in de vooraankondiging is vermeld. In het kader van een eerdere controle is deze overtreding wel ter sprake gebracht en heeft verzoekster toegezegd de tank op korte termijn te verplaatsen dan wel te verwijderen.

   Verweerder heeft ter zitting betoogd dat ondanks de verplaatsing van de propaantank nog altijd niet aan de last wordt voldaan, omdat sinds de verplaatsing opnieuw de afstandsnormen op grond van CPR-richtlijn 11-2 (thans PGS 20) worden overtreden.

2.2.3.    Naar aanleiding van controlebezoeken aan de inrichting op 14 februari 2006 en 23 mei 2006 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de propaantank niet was geplaatst in overeenstemming met de afstandsnormen van CPR-richtlijn 11-2 (PGS 20). De vooraankondiging van 25 augustus 2006 heeft geen betrekking op overtreding van CPR-richtlijn 11-2 (PGS 20). Verweerder heeft de overige door hem geconstateerde overtredingen wel in de vooraankondiging naar voren gebracht, zodat verzoekster daarop een zienswijze naar voren kon brengen. Van een doorslaggevende reden om voor deze overtreding geen vooraankondiging te doen, is niet gebleken.

   De Voorzitter ziet daarom aanleiding in zoverre een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is mede van belang dat, gelet op het verhandelde ter zitting, niet is uitgesloten dat thans reeds dwangsommen worden verbeurd, omdat sinds de verplaatsing van de propaantank nog altijd niet wordt voldaan aan de afstandsnormen van CPR-richtlijn 11-2 (PGS 20).

2.3.    Daarnaast is een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de vloeistofdichte vloer van de wasplaats. Verweerder heeft tijdens controles scheuren in de vloer geconstateerd. In de last is bepaald dat de vloeistofdichtheid van de vloer van de wasplaats door middel van een keuringsrapport of certificaat moet worden aangetoond.

2.3.1.    In vergunningvoorschrift E.2 is bepaald dat de vloer van de wasplaats vloeistofdicht moet zijn, afwaterend moet zijn gelegd en vloeistofdicht moet aansluiten op de bedrijfsriolering.

   Ingevolge voorschrift E.7 moet de vloeistofdichte verharding frequent worden gecontroleerd op afschot en vloeistofdichtheid. Hierbij kan worden volstaan met een visuele controle. Beschadigingen aan de verharding moeten terstond worden gerepareerd.

   In de bij de vergunning behorende begrippenlijst is een vloeistofdichte vloer gedefinieerd als een vloer die voldoet aan de eisen gesteld in beoordelingsrichtlijnen BRL-2319 of BRL-2362 of een andere afdichtende constructie waarvan kan worden aangetoond dat aan alle functionele eisen zoals vermeld in BRL-2319 of BRL-2362 wordt voldaan.

2.3.2.    De Voorzitter is er niet van overtuigd dat uit de voorschriften E.2 en E.7, gelezen in samenhang met de in de vergunning gegeven omschrijving van het begrip vloeistofdichte vloer, voortvloeit dat de vloeistofdichtheid van de vloer door middel van een keuringsrapport of certificaat moet worden aangetoond. Derhalve is niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat het ontbreken van een keuringsrapport of certificaat tot gevolg heeft dat deze voorschriften zijn overtreden. De Voorzitter ziet ook in zoverre aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Voorts heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 18, vierde lid, van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (hierna: het BOOT 1998). Verzoekster dient door middel van een saneringscertificaat aan te tonen dat de in de inrichting aanwezige ondergrondse olietank op de juiste wijze onklaar is gemaakt.

2.4.1.    In artikel 18, eerste lid, van het BOOT 1998 is bepaald dat indien het opslaan van een vloeistof in een bestaande ondergrondse tank voor 1 maart 1993 is beëindigd en na die beëindiging in de desbetreffende tank niet een andere vloeistof werd opgeslagen, dit door de eigenaar van die tank uiterlijk op 1 september 1993 wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

   Ingevolge het vierde lid wordt de tank, indien deze op 1 januari 1999 nog niet is verwijderd of onklaar is gemaakt, zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen acht weken nadat de eigenaar met de aanwezigheid van de tank bekend is, verwijderd, tenzij verwijdering als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval moet de tank onklaar worden gemaakt. Het verwijderen of onklaar maken geschiedt overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage VI.

   Ingevolge het vijfde lid geldt de in het vierde lid bedoelde verplichting niet, indien werd opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting en de eigenaar van de betrokken tank op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bevoegd is in die tank een andere vloeistof op te slaan.

2.4.2.     Verzoekster stelt zich op het standpunt dat artikel 18, vierde lid, van het BOOT 1998 niet is overtreden. Zij betoogt dat zij op grond van de voor de inrichting geldende milieuvergunning bevoegd is in de tank een andere vloeistof op te slaan, zodat het bepaalde in artikel 18, vijfde lid, van het BOOT 1998 van toepassing is.

   Subsidiair voert verzoekster aan dat niet van haar kan worden gevergd de ondergrondse tank op korte termijn te verwijderen of onklaar te maken, omdat zij is betrokken in een civiele procedure met de voormalige eigenaar van wie zij het bedrijfsterrein heeft gekocht. Verzoekster vreest dat zij na het verwijderen of onklaar maken van de tank in de civiele procedure niet meer zal kunnen voldoen aan een mogelijke bewijsopdracht met betrekking tot schade die door de aanwezigheid van de tank is veroorzaakt.

2.4.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de ondergrondse tank niet overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage VI bij het BOOT 1998 is verwijderd of onklaar is gemaakt. Op de bij de vergunning behorende tekening is de tank weergegeven als ‘voormalige olietank zandgevuld’. Ook overigens blijkt uit de vergunning niet dat het verzoekster is toegestaan vloeistoffen in de tank op te slaan. De in artikel 18, vijfde lid, van het BOOT 1998 genoemde uitzondering is derhalve in dit geval niet van toepassing.

   De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 18, vierde lid, van het BOOT 1998, zodat verweerder bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.4.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.5.    De Voorzitter acht het op voorhand niet onaannemelijk dat het verwijderen of onklaar maken van de ondergrondse tank zal kunnen leiden tot bewijsproblemen in de civiele procedure waarin verzoekster is betrokken, mede gelet op de fase waarin die procedure zich thans bevindt. Voorts is niet gebleken dat het belang van de bescherming van het milieu het onmiddellijk verwijderen of onklaar maken van de ondergrondse tank noodzakelijk maakt.

   Na afweging van de betrokken belangen ziet de Voorzitter daarom ook op dit punt aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas van 8 december 2006, kenmerk hh0600153, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Horst aan de Maas aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Horst aan de Maas aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen      w.g. Heijerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007

255-483.