Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200606518/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 3 november 2006, in zaak no. 200606518/2, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 25 juli 2006 (hierna: het besluit) geschorst. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606518/3.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats],

om opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 3 november 2006, in zaak no. 200606518/2, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij uitspraak van 3 november 2006, in zaak no. 200606518/2, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 25 juli 2006 (hierna: het besluit) geschorst. De uitspraak is aangehecht.

Bij brieven van 10 januari 2007, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hebben verzoeker sub 1 en verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 februari 2007, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. J van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Backbier, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartijen], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De Voorzitter heeft bij uitspraak van 3 november 2006, in zaak no. 200606518/2 het besluit bij wijze van voorlopige voorziening geschorst, omdat verweerder in het kader van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) ten onrechte een afzonderlijke beoordeling heeft gemaakt van de stankhinder van de twee binnen de aan de [locatie] te [plaats] gelegen inrichting (hierna: de inrichting) aanwezige nertsenstallen.

2.2.    Verzoekers hebben verzocht om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Zij voeren hiertoe aan dat verzoeker sub 1 in december 2006 een deel van de inrichting heeft verkocht aan verzoekster sub 2. Hierdoor zijn er volgens verzoekers twee afzonderlijke inrichtingen ontstaan, zodat voor de stankhinder afkomstig van de twee nertsenstallen een afzonderlijke beoordeling gemaakt moet worden. Het besluit is derhalve niet langer in strijd met de Wet stankemissie, aldus verzoekers.

2.3.    De Voorzitter overweegt dat het betoog van verzoekers, wat daar ook van zij, ziet op omstandigheden die dateren van na het nemen van het besluit. De Afdeling is bij de behandeling van de tegen het besluit ingediende beroepen gehouden de situatie te beoordelen zoals deze was ten tijde van het nemen van het besluit. Derhalve acht de Voorzitter het niet uitgesloten dat de Afdeling, mede gelet op de uitspraak van de Voorzitter waar het thans aan de orde zijnde verzoek op ziet, het besluit zal vernietigen. Gelet hierop en mede gezien de spoedige behandeling ter zitting op 19 maart 2007 van de tegen het besluit ingediende beroepen, ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink                  w.g. Van Hardeveld

Voorzitter                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

312-492.