Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200605818/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2005 heeft de Korpschef van de regiopolitie Brabant-Noord (hierna: de Korpschef) de op 30 augustus 2004 verleende politietoestemming tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605818/1.

Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2923 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 27 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Korpschef van de regiopolitie Brabant-Noord.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2005 heeft de Korpschef van de regiopolitie Brabant-Noord (hierna: de Korpschef) de op 30 augustus 2004 verleende politietoestemming tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken.

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de Korpschef het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2006, verzonden op 29 juni 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 september 2006 heeft de Korpschef van antwoord gediend.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellant een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond, en de Korpschef, vertegenwoordigd door mr. R. Verstegen, medewerker van het politiekorps Brabant-Noord, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de wet), voor zover hier van belang, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

   Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

   Ingevolge het zesde lid, kan de toestemming, bedoeld in het tweede lid, worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

   Ingevolge paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, Stcrt. 1999, nr. 60, p. 28 (hierna: de circulaire), wordt de toestemming als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet onthouden indien op grond van andere omtrent de betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

   In paragraaf 2.1 wordt verder vermeld dat bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde het erom gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen, aldus de circulaire, slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog een serieuze verdenking bestaat.

   Ingevolge paragraaf 2.1.1 (hardheidsclausule) van de circulaire kan de Korpschef van het vorenbepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.2.    De Korpschef heeft de op 30 augustus 2004 aan appellant verleende politietoestemming tot het mogen verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken en die intrekking in bezwaar gehandhaafd, omdat gebleken was dat er een serieuze verdenking tegen appellant bestond van een strafbaar feit, welke omstandigheid, indien die zich had voorgedaan bij het aanvragen van de toestemming, tot weigering daarvan zou hebben geleid.

Vaststaat dat appellant op 10 maart 2005 is aangehouden op verdenking van mishandeling van zijn ex-vriendin. Voor dit feit is appellant op 25 juli 2005 door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair te vervangen door 50 dagen hechtenis. In hoger beroep is appellant door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij onherroepelijke uitspraak veroordeeld tot een werkstraf van 75 uur.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Korpschef in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de aard en de ernst van het voorgevallen feit en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden aan toepassing van de hardheidsclausule in de weg staan. Het intrekken van de politietoestemming is gezien de gevolgen daarvan voor appellant, die daardoor is geconfronteerd met ontslag, financiële problemen en het moeten verlaten van zijn woning, disproportioneel, aldus appellant. Hij wijst er daarbij op dat hij zijn werkzaamheden binnen de beveiligingsbranche altijd klachtenvrij heeft uitgevoerd en dat hij de, hem in verband met het incident, opgelegde taakstraf heeft ondergaan. Tot slot stelt appellant dat het om een incident ging en dat hij zich, ter voorkoming van recidive, tot de geestelijke gezondheidzorg heeft gewend.

2.4.    Vooropgesteld zij dat de Korpschef bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat de toestemming in te trekken, waarbij wordt aangesloten bij de criteria van het vijfde lid van artikel 7 van de wet, zoals nader ingevuld in de circulaire, beschikt over beoordelingsvrijheid.

2.5.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de Korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval aanleiding tot intrekking van de toestemming bestond gelet op de eisen die aan medewerkers van de beveiligingsbranche worden gesteld. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Korpschef in hetgeen appellant heeft aangevoerd, waaronder de omschrijving van de gevolgen, die de intrekking van de toestemming voor zijn persoonlijk leven heeft, geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien die hem in redelijkheid hadden moeten brengen tot een ander oordeel inzake de betrouwbaarheid en geschiktheid voor het beveiligingswerk dan in de beslissing op bezwaar is neergelegd dan wel tot toepassing van de hardheidsclausule. Daarbij heeft de Korpschef zwaar kunnen laten wegen dat het feit waarvoor appellant is veroordeeld een geweldsdelict in de huiselijke kring betreft en dat uit het politieregister blijkt dat er een eerdere mutatie is met betrekking tot een soortgelijk feit. Voorts heeft de Korpschef het standpunt mogen innemen dat, hoewel appellant zich onder behandeling van de geestelijke gezondheidszorg heeft gesteld en een cursus ter regulering van emoties volgt, hierin geen reden wordt gezien om de kans op recidive gering te achten, waarbij in aanmerking is genomen dat het ten tijde hier van belang om een recent feit ging en de cursus nog niet was voltooid.

Uit het voorgaande volgt dat het betoog van appellant niet slaagt.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

306-538.