Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
200700575/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft de raad van de gemeente Maasluis (hierna: de raad) vrijstelling verleend voor het bouwen van 192 appartementen in drie woontorens aan de [locatie] te [plaats], op de percelen kadastraal bekend, gemeente Maassluis, sectie […], nummers […] en […] (hierna: het bouwplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700575/2.

Datum uitspraak: 20 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 06/271 van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2006 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft de raad van de gemeente Maasluis (hierna: de raad) vrijstelling verleend voor het bouwen van 192 appartementen in drie woontorens aan de [locatie] te [plaats], op de percelen kadastraal bekend, gemeente Maassluis, sectie […], nummers […] en […] (hierna: het bouwplan).

Bij besluit van 13 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (hierna: het college) aan Panagro Vastgoedontwikkeling B.V. bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij besluit van 2 december 2005 heeft het college het door verzoeker daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning gehandhaafd onder wijziging van de motivering.

Bij uitspraak van 6 december 2006, verzonden op 8 december 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 december 2005 vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 16 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 februari 2007, waar verzoeker en het college, vertegenwoordigd door mr. P.H. Harent en mr. O. de Man, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Gebleken is dat de bouw van één van de torens reeds is voltooid en dat deze wordt bewoond. De bouw van twee van de torens verkeert in een vergevorderd stadium en de oplevering daarvan valt medio 2007 te verwachten. Het verzoek strekt tot schorsing van het besluit van 13 december 2004 waarbij aan Panagro Vastgoedontwikkeling B.V. bouwvergunning is verleend.

   Verzoeker tracht te voorkomen dat een grotere dan de reeds gerealiseerde bouwhoogte wordt bereikt en betoogt onder meer dat het bouwplan leidt tot een overschrijding van de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk). Nu niet op voorhand valt uit te sluiten dat bewoning van de torens invloed heeft op de luchtkwaliteit, bestaat anders dan het college ter zitting heeft gesteld, voldoende spoedeisend belang bij een beoordeling van het verzoek tot schorsing van het besluit van 13 december 2004.

2.3.    Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de ter plaatse als bestemmingsplannen geldende "Partieel uitbreidingsplan in hoofdzaak Maassluis-West" en "Uitbreidingsplan in onderdelen Maassluis-West". Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft de raad van de gemeente Maassluis (hierna: de raad) voor het bouwplan vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.4.    De ruimtelijke onderbouwing van het project wordt gevormd door het door de raad op 29 juni 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Burgemeesterswijk Maassluis" (hierna: het bestemmingsplan). Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij besluit van 7 februari 2006 beslist omtrent de goedkeuring van dat plan en goedkeuring gehecht aan de daarin aan de percelen toegekende bestemming "Woongebied (W-1)". Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in overeenstemming is. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2006 onder meer voor wat betreft de aan de percelen toegekende bestemming. Gelet hierop bestaat naar voorlopig oordeel nog steeds belang bij de beoordeling van het vrijstellingsbesluit.

2.5.    Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan onderdeel vormt van een grootschalige herinrichting van de burgemeesterswijk waarbij ongeveer 1300 woningen worden gesloopt en vervangen door ongeveer evenzoveel nieuw te bouwen woningen. Voorts is gebleken dat reeds een derde van de daarvoor in aanmerking komende woningen is gesloopt. Blijkens de rapportage luchtkwaliteit 2005 van de gemeente Maassluis blijven de berekende waarden voor fijn stof op de [locatie] in 2005, 2010 en 2015 ruimschoots onder de in het Blk opgenomen grenswaarden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verzoeker geen deskundigenrapporten heeft overgelegd waaruit zulks zou kunnen blijken bestaat op voorhand geen grond voor het oordeel dat het bouwplan leidt tot een overschrijding van de in het Blk opgenomen grenswaarden.

2.6.    In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot geluid-, wind- en schaduwhinder zijn op voorhand geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het door de rechtbank over die aspecten gegeven oordeel onjuist is. Vaststaat dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 4 mei 2004 ten behoeve van het plan voor de eerste fase herstructurering Burgemeesterswijk waarbinnen het bouwplan is gesitueerd, hogere geluidgrenswaarden heeft vastgesteld en dat dit besluit in rechte niet meer aantastbaar is. Voorts blijkt uit de rapporten van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. van 23 juli 2003, 11 maart 2004, 28 juni 2004, 12 november 2004 en 14 april 2005 dat het bouwplan geen onaanvaardbare schaduwwerking tot gevolg heeft en dat met het aanbrengen van windafschermende voorzieningen een ten opzichte van de bestaande situatie aanvaardbaar windklimaat kan worden bereikt. Ook in hoger beroep heeft verzoeker ter zake geen deskundigenrapporten overgelegd op grond waarvan tot een ander oordeel gekomen zou kunnen worden. Naar voorlopig oordeel zijn onvoldoende aanknopingspunten voorhanden voor de conclusie dat voornoemde aspecten de raad aanleiding had behoren te geven de gevraagde vrijstelling te weigeren.

2.7.    Ten slotte kan verzoeker voorshands niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college het positieve advies van de Stichting Dorp Stad en Land niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Verzoeker heeft geen andersluidend advies overgelegd van een ter zake deskundig te achten persoon of instantie.

2.8.    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9.    Niet valt in te zien dat verzoeker door indiening van het verzoek misbruik van procesrecht heeft gemaakt zoals het college stelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat derhalve evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink            w.g. Willems

Voorzitter         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2007

412