Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9036

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200603610/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft appellant (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen de exploitatie van twee coffeeshops in het pand, gelegen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/5370 met annotatie van M.J.E. Boudesteijn
ABkort 2007/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603610/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1807 van de rechtbank Roermond van 28 maart 2006 in het geding tussen:

[verzoekers],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft appellant (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen de exploitatie van twee coffeeshops in het pand, gelegen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2005 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2006, verzonden op 6 april 2006, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 september 2005 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 10 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 mei 2006 hebben [verzoekers] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van  [verzoekers]. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2007, waar het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, ambtenaar van de gemeente, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door             mr. G.L.M. Teeuwen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in Hoofdzaken" rust op het perceel Bevrijdingsweg 16 de bestemming "Agrarische doeleinden". De exploitatie van de coffeeshops is met deze bestemming in strijd.

2.2.    Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de exploitatie van de coffeeshops is toegestaan op grond van de in 1985 krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) verleende vrijstelling voor de exploitatie van een wegrestaurant in het pand. Het college voert daartoe aan dat de functie en de ruimtelijke uitstraling van een coffeeshop op één lijn kunnen worden gesteld met de functie en ruimtelijke uitstraling van een wegrestaurant. Daarbij is volgens het college van belang dat bij de beoordeling van de ruimtelijke uitstraling van een coffeeshop de gevolgen van de met de Opiumwet strijdige verkoop van softdrugs niet mogen worden betrokken. Verder is volgens het college van belang dat in beide gelegenheden dranken en etenswaren worden verkocht voor gebruik ter plaatse en etenswaren voor gebruik anders dan ter plaatse. Dat het aanbod in een wegrestaurant ruimer is en daar alcohol wordt verkocht, maakt niet dat in ruimtelijk opzicht sprake is van een andere functie of een andere ruimtelijke uitstraling, aldus het college. Het college wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2001, zaak no. 200002895/1 (aangehecht).

2.2.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de exploitatie van de coffeeshops in het pand enkel is toegestaan indien een dergelijk gebruik geacht kan worden rechtstreeks voort te vloeien uit de in 1985 verleende vrijstelling. Nu destijds slechts vrijstelling is verleend voor de exploitatie van een wegrestaurant in het pand, kan niet staande worden gehouden dat op basis van die vrijstelling in dat pand eveneens deze coffeeshops mogen worden geëxploiteerd. Daartoe is van belang dat, zoals ter zitting is gebleken, de coffeeshops in overwegende mate zijn gericht op de verkoop van waren voor gebruik elders en niet op het verstrekken van consumpties - tijdens een rustpauze - aan verkeersdeelnemers. Deze waren worden verstrekt bij wijze van loketverkoop. Gelet hierop kunnen de functie en de ruimtelijke uitstraling van de coffeeshops niet op één lijn worden gesteld met de functie en de ruimtelijke uitstraling van een wegrestaurant. In zoverre kan ook de verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2001, zaak no. 200002895/1 het college niet baten. In dat geval ging het om de vraag of het gebruik van een ruimte ten behoeve van de vestiging en exploitatie van een coffeeshop paste binnen de bestemming "Centrumdoeleinden II" als in het daar aan de orde zijnde bestemmingsplan omschreven. De bij die bestemming behorende doeleindenomschrijving komt niet overeen met het gebruiksdoel 'wegrestaurant' ten behoeve waarvan in 1985 vrijstelling van de agrarische bestemming is verleend. Uit het vorenstaande volgt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de exploitatie van de coffeeshops in het pand is toegestaan op grond van de in 1985 verleende vrijstelling voor de exploitatie van een wegrestaurant in datzelfde pand. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat het exploiteren van de coffeeshops in het pand een met het bestemmingsplan strijdige situatie oplevert. Het betoog van het college slaagt niet.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met enige verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venlo tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Venlo aan [verzoekers] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren      w.g. Huijben

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

313-494.