Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200603782/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [verzoeker] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een schuur en een carport op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Voorts heeft het college bij dit besluit geweigerd vrijstelling te verlenen ten behoeve van het huidige gebruik van het perceel als groothandel in veevoeders en detailhandel in dierenbenodigdheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603782/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Leerdam,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/673 van de rechtbank Dordrecht van 7 april 2006 in het geding tussen:

[verzoeker],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [verzoeker] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een schuur en een carport op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Voorts heeft het college bij dit besluit geweigerd vrijstelling te verlenen ten behoeve van het huidige gebruik van het perceel als groothandel in veevoeders en detailhandel in dierenbenodigdheden.

Bij besluit van 7 mei 2004 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 1 april 2005, het door [verzoeker] ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2006, verzonden op 21 april 2006, heeft de rechtbank het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 18 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 juni 2006 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2007, waar het college, vertegenwoordigd door L.B. Elsen en P.H.M. Zethof, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Voorts is [verzoeker] in persoon, bijgestaan door [gemachtigden], daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het vervangen van de reeds op het perceel aanwezige varkensstal en schuurtje door een schuur en een carport, ten behoeve van het stallen van landbouwwerktuigen. Voorts ziet het  verzoek om vrijstelling op de op het perceel gevoer[verzoeker]handel in veevoeders alsmede de detailhandel in dierbenodigdheden.

2.2.    Op het perceel rust op grond van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Leerdam Landelijk Gebied 1982" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarische doeleinden (A(B))".

   Ingevolge artikel 1, tiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van vee.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden die op de kaart voor agrarische doeleinden zijn aangewezen, bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 10, sub a, b en c.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen binnen de agrarische bouwpercelen uitsluitend bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 25, vierde lid, van de planvoorschriften verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van de in dit artikel vervatte verbodsbepalingen, indien strikte toepassing van die bepalingen leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende reden wordt gerechtvaardigd.

2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet zonder meer kan worden gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften. In dit verband voert het college aan dat appellant zijn agrarische bedrijfsvoering op het perceel heeft beëindigd en het bouwplan dan ook in strijd is met voornoemd planvoorschrift.

   Dit betoog faalt. Ingevolge de artikelen 8, tweede lid, en 1, tiende lid, van planvoorschriften in samenhang bezien, kan op het perceel slechts worden gebouwd ten behoeve van een agrarisch bedrijf, waarbij geen nadere eisen worden gesteld aan de omvang van dit bedrijf. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 30 maart 2005, no. 200204616/1, is aan de eis dat gebouwen en bouwwerken ten dienste moeten staan aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf voldaan, indien kan worden gesproken van agrarische activiteiten met een - werkelijk - bedrijfsmatig karakter. Voor het standpunt van het college dat uitsluitend een volwaardig agrarisch bedrijf ter plaatse is toegestaan is dan ook gelet op de planvoorschriften in dit geval geen plaats. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een schuur voor het stallen van landbouwwerktuigen ten behoeve van het bewerken van 2,5 ha. grasland op het perceel, waarop onder meer hooibouw plaatsvindt. [verzoeker] ontplooit hiermee op het perceel nog agrarische activiteiten met een bedrijfsmatig karakter. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat, gelet hierop, het college zich niet zonder meer op het standpunt kon stellen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat de voorheen door [verzoeker] geëxploiteerde varkensmesterij en hiermee het agrarisch bedrijf op het perceel is beëindigd. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 7 juli 2005 op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.

2.4.    Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 7 juli 2005, voor zover dat ziet op het verzoek van [verzoeker] om vrijstelling te verlenen ten behoeve van het huidige gebruik van het perceel, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Hiertoe voert het college aan dat het detailhandelsactiviteiten in het buitengebied in zijn geheel niet wenselijk acht en het derhalve niet gehouden was onderzoek te verrichten naar de omvang van detailhandel op het perceel.

   Dit betoog slaagt. De aanvraag van [verzoeker] ziet zowel op de door hem op het perceel gevoer[verzoeker]handel in veevoeders, als op de op het perceel aanwezige detailhandel in dierenbenodigdheden. Vast staat dat [verzoeker]handel van de zijde van het college niet op bezwaren stuit en dat het, zoals ook ter zitting is bevestigd, bereid is met toepassing van artikel 19 van de WRO medewerking aan deze groothandel te verlenen. Ten aanzien van deze detailhandelsactiviteiten heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het hiervoor geen vrijstelling wenst te verlenen, omdat deze in strijd zijn met het gemeentelijk beleid om geen detailhandelsactiviteiten in het buitengebied toe te staan. Dit beleid, waarmee de weigering om vrijstelling te verlenen in overeenstemming is, wordt niet onredelijk geacht. Gelet hierop heeft het college dan ook terecht de gevraagde vrijstelling in zijn geheel geweigerd en zich hierbij met juistheid op het standpunt gesteld dat het niet gehouden was nader onderzoek te doen naar de omvang van de detailhandelsactiviteiten op het perceel. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 7 juli 2005 op dit onderdeel onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

2.5.    In verband met het vorenstaande, komt de Afdeling aan hetgeen het college overigens heeft betoogt niet meer toe.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. Gelet op het onder 2.3 overwogene, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu het dictum van de aangevallen uitspraak juist is. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Steinebach-de Wit        

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

328-503.