Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
200604453/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [verzoeker] om bekostiging van het vervoer ten behoeve van het schoolbezoek van zijn [minderjarige zoon van verzoeker] aan de cluster 4 school De Brouwerij te Ede afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de expertisecentra
Wet op de expertisecentra 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604453/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/664 van de rechtbank Almelo van 10 mei 2006 in het geding tussen:

[verzoeker],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [verzoeker] om bekostiging van het vervoer ten behoeve van het schoolbezoek van zijn [minderjarige zoon van verzoeker] aan de cluster 4 school De Brouwerij te Ede afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2005 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 maart 2005 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door J.H.W. Breukelman, ambtenaar bij de gemeente Rijssen-Holten, en [verzoeker], in persoon, bijgestaan door mr. J. Boter, verbonden aan Stichting Univé Rechtshulp, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.     Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: de WEC), voor zover hier van belang, verstrekken burgemeester en wethouders ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast.

   Ingevolge het tiende lid van dat artikel, voor zover hier van belang, kan de regeling bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders van de inhoud van de regeling af te wijken.

2.2.    De "Verordening leerlingenvervoer gemeente Rijssen-Holten 2004" (hierna: de Verordening) is een nadere regeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WEC.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening kent het college ten behoeve van het schoolbezoek aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt de bekostiging van de vervoerskosten toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening ontstaat, indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, slechts aanspraak op bekostiging naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Verordening geldt voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4 bezoekt als dichtst bijzijnde toegankelijke school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is verbonden.

   Ingevolge artikel 29 van de Verordening kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.

2.3.    Appellant betoogt dat vergoeding van de kosten van het leerlingenvervoer enkel tot doel heeft leerlingen in staat te stellen het recht op onderwijs op een voor hen toegankelijke school te effectueren. Appellant is van mening dat in dit verband het al dan niet beschikbaar zijn van medische of orthopedagogische dagbehandelingen die een leerling als [minderjarige zoon van verzoeker] naast het volgen van onderwijs nodig heeft, hierbij geen rol speelt, ook niet bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29 van de Verordening. De rechtbank heeft dit volgens appellant miskend.

2.4.    Vast staat dat de Elimschool te Hellendoorn wat betreft de soort van onderwijs en de richting gelijk is aan de Brouwerijschool te Ede. Aangezien de Elimschool kan worden aangemerkt als de dichtstbijzijnde voor [minderjarige zoon van verzoeker] toegankelijke school, verzet artikel 3 van de Verordening zich tegen inwilliging van de aanvraag van [verzoeker].

   Het geschil is daarmee beperkt tot de vraag of appellant zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij bij zijn afweging geen rekening hoefde te houden met de omstandigheid dat voor de medisch orthopedagogische dagbehandeling bij De Reggenberg te Hellendoorn een wachttijd van twee jaar en voor dezelfde behandeling in het Dr. Leo Kannerhuis te Arnhem geen wachttijd geldt, omdat hij niet op grond van die omstandigheid gebruik kon maken van de in artikel 29 van de Verordening neergelegde afwijkingsbevoegdheid.

2.5.     Artikel 29 van de Verordening biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting van appellant dat tot toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uitsluitend aspecten die betrekking hebben op het vervoer aanleiding kunnen geven. Artikel 29 van de Verordening geeft een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt in de door appellant bedoelde zin.

   Dat betekent dat in zodanig geval ook op grond van medische of orthopedagogische aspecten, in afwijking van de Verordening, tot toekenning van vervoerskosten kan worden overgegaan.

   Nu appellant de door [verzoeker] geschetste omstandigheid met betrekking tot de beschikbaarheid van orthopedagogische dagbehandeling voor [minderjarige zoon van verzoeker] niet heeft weersproken had hij, bij de beoordeling of [verzoeker] in aanmerking diende te komen voor toepassing van artikel 29 van de Verordening, in moeten gaan op deze gestelde omstandigheid. Dit heeft appellant nagelaten.

   De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant het besluit van 29 maart 2005, voor zover dit betrekking had op de toepassing van artikel 29 van de Verordening, onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat het besluit, gelet op artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet in stand kon blijven.

2.8.    De Afdeling merkt ten overvloede op dat zij thans niet treedt in de vraag, of in dit geval toepassing behoort te worden gegeven aan artikel 29 van de Verordening in de door [verzoeker] gewenste zin. Zulks zal door appellant moeten worden beoordeeld in het kader van de nieuwe beslissing die hij als gevolg van de vernietiging van het besluit van 29 maart 2005 op het bezwaarschrift van [verzoeker] moet nemen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Groenendijk

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

164-536.